De werkgever doet een zgn. “fishing expedition” in de privé e-mails en whatsapp berichten van de werknemer. Sprake van een zeer ernstige inbreuk op de privacy van de werknemer. De resultaten hiervan, hoewel onrechtmatig verkregen, mogen wel gebruikt worden.

Building_DialogueOp 12 mei 2014 heeft de Rechtbank Amsterdam een uitspraak gedaan in een door de werknemer aanhangig gemaakt kort geding. De werknemer was op staande voet ontslagen nadat was gebleken dat hij zich tijdens zijn dienstverband (nogal ijverig) had beziggehouden met het dienen van de belangen van zijn toekomstige werkgever en met de uitvoering van zijn toekomstige werkzaamheden aldaar. De rechtbank oordeelt dat de werkgever op zeer ernstige wijze inbreuk heeft gemaakt op de privacy van de werknemer door in de privémail van werknemer te zoeken naar verboden activiteiten. De werkgever wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van 7500 euro te betalen aan werknemer. De werkgever mag echter wel gebruik maken van de (onrechtmatig verkregen) gegevens. De vordering van de werknemer inzake een gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat de rechtbank (op grond van de onrechtmatig verkregen gegevens) van oordeel is dat het aannemelijk is dat het ontslag op staande voet in stand zal blijven (ECLI:NL:RBAMS:2014:2751).

De feiten

Werknemer is in dienst als export directeur bij Weisz, een onderneming die zich bezig houdt met de productie en verkoop van horloges. In de arbeidsovereenkomst van de werknemer is een verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden opgenomen en een geheimhoudingsclausule.

Op enig moment vindt er een gesprek plaats tussen de werknemer en Weisz, waarbij de werknemer aangeeft dat hij van plan is om in dienst te treden bij een ander, een in Israel gevestigde horlogefabrikant. Na afloop van dat gesprek vraagt Weisz de werknemer zijn laptop op het bedrijf achter te laten in verband met een software update.

Ontslag op staande voet

Twee dagen later ontslaat Weisz de werknemer op staande voet en bevestigt het ontslag bij brief van dezelfde datum. In deze brief wordt de werknemer verweten dat hij intensieve contacten heeft onderhouden met het bedrijf waarvan hij aangaf in dienst te zullen treden (waaronder het voorbereiden van een verkooporganisatie voor deze aanstaande werkgever), dat hij vertrouwelijke bedrijfsgegevens aan zijn aanstaande werkgever heeft verstrekt, dat hij deze heeft geïntroduceerd bij zakelijke relaties van Weisz, dat hij voor hem een Business Plan heeft gemaakt (met gebruikmaking van de kennis van de bedrijfsvoering van Weisz) en dat hij bemiddeld heeft bij de indiensttreding van werknemers van Weisz bij zijn aanstaande werkgever.

Tweede ontslag op staande voet

Een tweetal dagen na dit ontslag op staande voet ontslaat Weisz de werknemer voor een tweede maal op staande voet, voor het geval het eerste genoemde ontslag geen stand zou houden. Als grond voor dit tweede ontslag op staande voet voert Weisz aan dat de werknemer ook de naam zou hebben doorgegevenvan de fabriek in China waar Weisz haar horloges laat maken aan de aanstaande werkgever. Weisz doet dan ook aangifte bij de politie te Amstelveen van bedrijfsspionage. Daarbij is de werknemer als verdachte aangemerkt.

Inbreuk op privacy van de werknemer

De werknemer die dan inmiddels al in dienst is bij zijn nieuwe werkgever, spant een kort geding aan. Volgens de werknemer zou Weisz op zeer ernstige, flagrante en disproportionele wijze inbreuk hebben gemaakt op de privacy van de werknemer. Weisz had zich immers toegang verschaft tot de computer van de werknemer op het werk en daarnaast tot de laptop en de telefoon van de werknemer. Daarbij had Weisz toegang gekregen tot een groot aantal (privé) e-mails van het G-mail account van de werknemer en een groot aantal (privé) whatsapp berichten.

Vordering werknemer in kort geding

In de procedure die Weisz heeft aangespannen tegen een van haar andere werknemers heeft Weisz e-mails en berichten van de werknemer gebruikt. Verder heeft Weisz de werknemer in berichten binnen en buiten de organisatie neergezet als crimineel en dief, aldus werknemer. Volgens de werknemer is deze handelwijze van Weisz onrechtmatig waardoor de werknemer schade lijdt, zowel vermogensschade als immateriële schade. De werknemer vordert in kort geding uitbetaling van zijn salaris tot de datum van uitdiensttreding, het vakantiegeld, de opgebouwde vakantiedagen, een bedrag aan gefixeerde schadevergoedingvanwege gesteldonregelmatig ontslag, en Euro 10.000 aan (immateriële) schadevergoeding, afgifte van de laptop en afgifte van de mobiele telefoon.

Weisz voert verweer en stelt een tegenvordering tot (o.a.) veroordeling van de werknemer tot geheimhouding van bedrijfsgevoelige informatie op straffe van een dwangsom. Ook diende de werknemer bekend te maken wie van de werknemers een geluidsopname had gemaakt van een gesprek tussen Weisz en de werknemer nadat het ontslag op staande voet was gegeven. De werknemer had namelijk een geluidsfragment van een gevoerd gesprek in het geding gebracht van een opname die naar verluid door een (oud ) collega van werknemer zou zijn gemaakt.

Onrechtmatig verkregen bewijs? Slecht werkgeverschap?

De kort geding rechter stelt eerst vast dat Weisz niet beschikt over intern vastgestelde regels over de rechten en plichten van partijen ter zake internet-en e-mail gebruik en het controleren daarvan door de werkgever. Een dergelijk intern reglement ontbreekt.

De rechter stelt dan vast dat (tenminste een deel van) het bewijs onrechtmatig door Weisz is verkregen. Volgens de rechter was geen sprake van een concreet vermoeden dat de werknemer in strijd handelde met bepalingen uit de arbeidsovereenkomst, dan wel dat hij onrechtmatige of strafbare handelingen verrichtte. Volgens de rechtbank was sprake van een “fishing expedition” gestart daags nadat de werknemer had verteld dat hij bij een concurrent in dienst wilde treden.

De rechter weegt dan mee dat Weisz zich via de PC op het werk toegang heeft verschaft tot privé g-mail accounts van de werknemer. Daaraan doet niet af dat Weisz bij de betreffende gegevens kon komen omdat de inloggegevens op de PC bewaard waren gebleven en zij dus niet de accounts heeft hoeven hacken. De rechtbank is met de werknemer eens dat het “laten openstaan van de voordeur” geen insluiping of diefstal rechtvaardigt. Ook het gebruik maken van de WhatsApp berichten op de door de werknemer gebruikte telefoon worden als een ontoelaatbare inbreuk op diens privacy beschouwd, nu de telefoon en daarmee de betreffende berichten deels een privé karakter droegen, omdat de telefoon immers ook privé werd gebruikt, hetgeen ook was toegestaan. De werkgever wordt door de rechtbank kwalijk genomen dat de laptop onder valse voorwendselen is ingenomen, namelijk niet voor het toevoegen van een update (zoals Weisz deed voorkomen) maar voor het onderzoek naar mogelijk onoorbaar gedrag van de werknemer. Tot slot acht de rechtbank van belang dat de werknemer onweersproken heeft gesteld dat Weisz een aantal van de e-mails, afkomstig van een van de g-mail accounts heeft gebruikt in een ontslagprocedure tegen een andere werknemer van Weisz. Dit levert een “extra” inbreuk op de privacy op, nu deze de verhouding Weisz-de werknemer te buiten gaat, aldus de rechtbank.

Rechtbank: Ernstige inbreuk op privacy van de werknemer

De kort geding rechter concludeert dat Weisz een ernstige inbreuk heeft gepleegd op het recht op privacy van de werknemer en dat Weisz zich niet als goed werkgever heeft gedragen en jegens de werknemer onrechtmatig heeft gehandeld. Maar wat is hiervan nu het gevolg?

Onrechtmatig bewijs buiten beschouwing laten?

De werknemer had aangevoerd dat, nu Weisz de betreffende gegevens op onrechtmatige wijze heeft verkregen, deze bij de beoordeling van de dringende reden niet mee mogen worden genomen. Hier is de rechter het niet mee eens. De vaststelling dat het bewijs onrechtmatig is verkregen heeft in het algemeen niet tot gevolg dat de resultaten van het onderzoek in een civiele procedure buiten beschouwing moeten worden gelaten. Daarvan zal, aldus de rechtbank, alleen in zeer bijzondere omstandigheden sprake kunnen zijn. En hiervan is volgens de rechter in deze zaak geen sprake. De rechtbank oordeelt dat de laptop weliswaar terug moet (het betrof een persoonlijk cadeau van een zakelijke relatie aan de werknemer), maar nu de verkregen gegevens gebruikt mogen worden, zal de werkgever hier niet wakker van liggen.

Geen vrijbrief voor fishing expeditions!

De rechtbank maakt duidelijk dat voorkomen moet worden dat het recht op privacy van een werknemer door het (onbelemmerd) gebruiken van onrechtmatig verkregen bewijs ernstig zou worden uitgehold. Volgens de rechtbank moet daarom als sanctie het toekennen van een schadevergoeding wegens het onrechtmatig handelen worden toegekend. Op deze wijze ontstaat er geen vrijbrief voor de werkgever om op onrechtmatige wijze gegevens te verkrijgen over een bepaalde handelwijze van een werknemer en blijft het tegelijkertijd mogelijk het gedrag van de werknemer te beoordelen met alle gegevens die boven tafel zijn gekomen.

De rechtbank meent dat een bedrag van € 7.500,- billijk is.

Gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen

De rechtbank neemt dan een voorschot op de bodemprocedure en oordeelt dat op grond van de aangevoerde (onrechtmatig) verkregen feiten het aannemelijk dat de bodemrechter de ontslagen in stand zal laten. Het ontslag zal daarom naar alle waarschijnlijk niet onregelmatig zijn en dat heeft tot gevolg dat de vordering van de werknemer betreffende de gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen.

Vordering tot geheimhouding toegewezen

De rechtbank oordeelt dat het aannemelijk is geworden dat de werknemer dit beding heeft geschonden, zodat Weisz er recht en belang bij heeft dat het beding versterkt wordt met een dwangsom.

“Verlinken” collega hoeft niet  

De rechtbank oordeelt dat van de werknemer niet kan worden gevergd dat hij de naam noemt van een oud collega die een geluidsopname heeft gemaakt. Het mag immers duidelijk zijn dat het achterliggende doel van Weisz is het treffen van sancties tegen deze persoon en daaraan hoeft de werknemer niet bij te dragen.

Conclusie: Van belang is dat u als werkgever in uw bedrijf een intern reglement opstelt inzake het gebruik van internet en e-mails en het onder omstandigheden controleren daarvan door de werkgever. Controleren dient uiteraard een legitiem doel te hebben (o.a. kostenaspect, beveiligingsaspect etc.). Bent u werknemer dan dient u zich goed te realiseren dat het behalen van een wit voetje bij uw toekomstige werkgever verstrekkende gevolgen voor u kan hebben. Het verrichten van de fishing expedition van de werkgever is weliswaar sterk veroordeeld door de rechtbank en heeft geleid tot een schadevergoeding, maar de werkgever mag de uitkomsten van dit onrechtmatige onderzoek wel degelijk gebruiken:  Tegen de werknemer zelf, tegen (oud) collega’s van de werknemer, maar ook tegen de opvolgende werkgever.  

Rechtstreeks uw vraag aan mij stellen?

Advertenties

Borgstellingen in het internationale handelsverkeer: de positie van de avalgever nader toegelicht.


contracten
Op 7 mei 2014 deed de Rotterdamse rechtbank een uitspraak over de rechtspositie van de avalgever. Aval is de borgstellingsconstructie waarbij een derde (de avalgever) zich borg stelt voor de betalingsverplichting van een ander (de geavalleerde) en wordt gebruikt in het internationale handelsverkeer. Als internationaal opererende ondernemer kunt u deze constructie dus ook tegenkomen. Hoe zit het eigenlijk met de rechten van de avalgever als borg? En wanneer mag een avalgever de betaling weigeren? (ECLI:NL:RBROT:2014:3158)

De feiten

Wave exploiteert met haar vier dochtervennootschappen franchiseformules die zijn gericht op kappersactiviteiten. Hairhold Benelux is enig aandeelhouder van Wave. Op 27 juli 2010 heeft het Italiaanse bedrijf Panatta een op naam van Hairhold Benelux staande order voor fitnessapparatuur ontvangen voor een totaalbedrag van € 412.668. Onderdeel van de betalingsvoorwaarden was (o.a.) de eis van Panatta dat haar bank zes orderbriefjes (zgn. promissory notes) zou ontvangen, uitgegeven door Hairhold Benelux en voor aval getekend door Wave ten gunste van Panatta. De handtekeningen op de orderbrieven dienden op verzoek van Panatta te worden gelegaliseerd door een notaris. Dat is ook gebeurd. Elk orderbriefje vermeldde een deelbedrag en had een verschillende vervaldatum. De apparatuur werd door Panatta geleverd en de levering is uitdrukkelijk goedgekeurd door Hairhold Benelux. De eerste promissory note werd betaald. De volgende niet. De advocaat van Hairhold Benelux en Wave liet aan Panatta weten dat zij geen verdere betalingen uit hoofde van de overeenkomst zouden verrichten. Panatta legt dan beslag onder Wave en vordert van Wave als avalgever de betaling van het bedrag dat onbetaald is gebleven.

Het verweer van Wave

Wave voert verweer bij de rechtbank. Zij stelt zich op het standpunt dat zij niet aan de borgtocht is gebonden, omdat de overeenkomst tussen Panatta en Hairhold Benelux waarop de uitgifte van de promissory notes is gebaseerd, niet (rechtsgeldig) tot stand zou zijn gekomen. Volgens Wave zou er namelijk zijn gerommeld met de handtekeningen door Hairhold Benelux en zouden de handtekeningen op de orderbrieven niet rechtsgeldig zijn, althans niet door de bevoegde persoon zijn gezet. Volgens Wave zou er sprake zijn geweest van opzet/fraude, nu ook ten onrechte zou zijn verklaard door Hairhold Benelux dat de levering zoals uitgevoerd door Panatta zou kloppen. Dat zou volgens Wave niet het geval zijn nu de levering onvolledig zou zijn geweest en niet door Hairhold Benelux maar door een andere BV zou zijn ontvangen. Wave stelt (o.a.) dat zij op grond van artikel 6:248 lid 2 BW (de redelijkheid en billijkheid) en gelet op de voorgaande omstandigheden niet aan haar verplichtingen voortvloeiende uit de borgtocht kan worden gehouden.

Het karakter van de orderbrief en de positie van de avalgever

De rechtbank stelt eerst vast wat het karakter is van de afgegeven promissory notes (orderbrieven). Deze behelzen, aldus de rechtbank, onder meer een onvoorwaardelijke belofte tot betaling door de schuldenaar. De rechtbank haalt dan artikel 131 Wetboek van Koophandel (WvK) aan waarin is bepaald dat de avalgever op dezelfde wijze verbonden is als degene, voor wie het aval is gegeven, de geavalleerde (lid 1). Volgens lid 2 van ditzelfde artikel is de verbintenis geldig, zelfs indien, wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek, de door de avalgever gewaarborgde verbintenis nietig is.

De positie van de avalgever is hiermee min of meer te vergelijken met de positie van de bank die een onvoorwaardelijke en onherroepelijke bankgarantie verstrekt.

De rechtbank vervolgt door te wijzen op artikel 106 WvK. Dit bepaalt (in ouderwets Nederlands) ten aanzien van valse handtekeningen zelfs, dat deze de geldigheid van de overige handtekeningen niet aantasten: “Indien de wisselbrief handteekeningen bevat van personen, die onbekwaam zijn zich door middel van eenen wisselbrief te verbinden, valsche handteekeningen, of handteekeningen van verdichte personen, of handteekeningen, welke, onverschillig om welke andere reden, de personen, die die handteekeningen hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet kunnen verbinden, zijn de verbintenissen der andere personen, wier handteekeningen op den wisselbrief voorkomen, desniettemin geldig”.

De rechtbank stelt op grond van de bovenstaande bepalingen vast dat de avalgever een materiële zelfstandige garantieverbintenis heeft waarmee de avalgever niet alleen de betaling, maar ook de geldigheid van de schuld in het orderbriefje garandeert. De mate van gebondenheid is hiermee erg groot voor de avalgever nu deze min of meer wordt geabstraheerd van de onderliggende rechtsverhouding.

Beroep op de redelijkheid en billijkheid faalt eveneens

De rechtbank verwerpt eveneens het verweer van Wave dat zij op grond van de redelijkheid en billijkheid niet aan de aval kan worden gehouden. De rechtbank stelt voorop dat Wave, als de partij die een beroep doet op artikel 6:248 lid 2 BW, de plicht rust om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen, en zonodig te bewijzen, waaruit dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij aan haar verplichtingen als waarborg jegens Panatta wordt gehouden. Gelet op het karakter van de aval, aldus de rechtbank, zal daarvan slechts bij zeer uitzonderlijke feiten en omstandigheden sprake kunnen zijn.

Wave had hiervoor aangevoerd dat Hairhold Benelux zou mogen opschorten dan wel de onderliggende koopovereenkomst zou mogen ontbinden, nu er gebreken zouden kleven aan de levering van Panatta. Hairhold Benelux had de fitnessapparatuur immers niet ontvangen, althans had minder apparatuur ontvangen, en de levering had feitelijk plaatsgevonden op een ander adres. Wave probeert de rechtbank ervan de overtuigen dat zij niet de dupe mag worden van de opzet/fraude van de (toenmalige) bestuurder van Hairhold Benelux en dat het onder deze omstandigheden onbillijk en onredelijk is dat zij wordt gehouden aan de borgstelling. De rechtbank gaat hier niet in mee. Volgens de overeenkomst mocht er door Panatta op een ander adres worden geleverd en de rechtbank meent ook dat de gestelde opzet niet voor rekening van Panatta mag komen. De vordering van Wave wordt op alle onderdelen afgewezen. Wave moet als avalgever betalen.

Conclusie: De onderneming die zich middels aval borgstelt voor een onvoorwaardelijke betalingstoezegging van een ander (de geavalleerde), is gebonden aan deze zelfstandige borgstellingsverplichting. Zelfs als de onderliggende verbintenis nietig is, is de avalgever gebonden. De avalgever kan zich dus ook niet beroepen op de verweren die de geavalleerde wellicht toekomen. Hoewel het in deze zaak zuur is voor Wave dat zij de dupe wordt van een frauderende voormalige bestuurder, is het resultaat van de uitspraak te billijken. Panatta maakt geen onderdeel uit van de fraude, staat hier immers buiten, en heeft bovendien de eis gesteld dat de handtekeningen door een notaris zouden worden gelegaliseerd. Hetgeen ook is gebeurd. En ook dat is weer heel zuur voor Wave, want de notaris heeft ook al niet goed opgelet.

Rechtstreeks uw vraag aan mij stellen?

Wanneer mag een bank de uitbetaling van een bankgarantie weigeren?

contractenOp 18 april 2014 heeft de rechtbank Overijssel de Rabobank veroordeeld tot uitbetaling van een door de bank afgegeven bankgarantie. De rechtbank stelt vast dat het beginsel van strikte conformiteit eraan in de weg staat dat de Rabobank inhoudelijk toetst en de bankgarantie uitlegt (ECL:NL:RBOVE:2014:2110). Wanneer mag de bank betaling weigeren?

De feiten

Bouwbedrijf X heeft in opdracht en voor rekening van Stichting Achterhoek VO een school gebouwd te Doetinchem. Voor de realisatie van de gevelconstructie heeft Bouwbedrijf X in onderaanneming Alkondor ingeschakeld. Alkondor heeft het werk in het najaar van 2006 aan Bouwbedrijf X opgeleverd. Bij de oplevering hebben partijen als opleverpunt lekkage aan de gevel genoteerd. Alkondor stelde zich op het standpunt dat de lekkage niet aan haar, maar aan de ontwerpfouten van de architect was te wijten. Zij vraagt begin 2009 om betaling van de laatste termijn van € 119.000,00 van Bouwbedrijf X. Bouwbedrijf X is van mening dat de lekkage wel haar oorzaak (mede) vindt in niet goed en deugdelijk werk van Alkondor, maar gaat desondanks akkoord met de betaling van de laatste termijn aan Alkondor. Bouwbedrijf X stelt hierbij de voorwaarde dat Alkondor ter zekerheid van nakoming van haar verplichtingen een afroepgarantie stelt ter hoogte van de te betalen slottermijn. Alkondor gaat hiermee akkoord en de Rabobank stelt zich vervolgens garant ten behoeve van Bouwbedrijf X tot een bedrag van Euro 115.000. Bouwbedrijf X betaalt de slottermijn aan Alkondor.

De bankgarantie

De tekst van de onherroepelijke afroepbare bankgarantie luidt:

dat de opdrachtgever tot meerdere zekerheid voor de stipte nakoming door de opdrachtnemer van zijn verplichtingen uit bovengenoemde overeenkomsten, een bankgarantie verlangt:

verklaart zich onherroepelijk garant te stellen tegenover de opdrachtgever voor de stipte nakoming door de opdrachtnemer van zijn verplichtingen uit bovengenoemde hoofde, verbindende de ondergetekende zich op eerste schriftelijk verzoek van de opdrachtgever aan deze te zullen voldoen al hetgeen hij ingevolge enige bepalingen van bovengenoemde aannemingsovereenkomsten van de opdrachtnemer verklaart te vorderen te hebben zich door deze tot een maximum bedrag van € 115.000,00 zegge: tweehonderd negenenvijftig duizend eenhonderd tweeëntwintig euro, zulks zonder voorafgaande ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst.

Deze garantie eindigt zodra door de opdrachtgever schriftelijk aan de opdrachtnemer is medegedeeld, dat de opdrachtnemer aan haar verplichtingen heeft voldaan.” .

Vastgestelde uitvoeringsfouten; procedure tussen Bouwbedrijf X en Achterhoek

Achterhoek VO stelt het architectenbureau aansprakelijk op grond van ontwerpfouten en in een gevoerde arbitrageprocedure wordt tussen Achterhoek VO en het architectenbureau een schikking getroffen, waarna Achterhoek VO haar pijlen richt op Bouwbedrijf X aangaande de problematische gevel. Uit een door Achterhoek VO uitgevoerd deskundigenonderzoek blijkt op 17 januari 2014 dat er (ook) sprake is van vermeende uitvoeringsfouten. Achterhoek VO stelt Bouwbedrijf X hiervoor aansprakelijk en de arbitrageprocedure tussen Achterhoek VO en Bouwbedrijf X wordt verder opgetuigd. Bouwbedrijf X stelt Alkondor van deze ontwikkelingen op de hoogte. Alkondor is dan inmiddels geliquideerd. Bouwbedrijf X verzoekt de Rabobank daarop om uitbetaling van de bankgarantie, hetgeen de Rabobank weigert.

Kort geding tegen de Rabobank tot uitbetaling

Bouwbedrijf X start daarop een kort geding bij de rechtbank te Overijssel en vraagt om veroordeling van de Rabobank tot uitbetaling van de bankgarantie. Bouwbedrijf X stelt dat aan de voorwaarden van de bankgarantie is voldaan, en dat de Rabobank ten onrechte weigert uit te keren.

De rechter in kort geding stelt Bouwbedrijf X in het gelijk.

Beginsel van strikte conformiteit

De rechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie de drie partijen bij de bankgarantie, te weten opdrachtgever/begunstigde (Bouwbedrijf X), opdrachtnemer (Alkondor) en de bank (Rabobank) er belang bij hebben dat de voorwaarden uit de bankgarantie strikt worden gehanteerd. Het is omwille van de rol van de bankgarantie als zekerheidsdocument in het handelsverkeer, aldus de rechtbank, van belang dat er zo weinig mogelijk discussies ontstaan over de vraag of de bank gehouden is tot uitbetaling over te gaan of niet. Een uitzondering op dit beginsel van strikte conformiteit is volgens de rechtbank echter niet uitgesloten en kan zich op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid onder meer voordoen in het geval sprake is van bedrog of willekeur aan de zijde van de opdrachtgever.

De vraag waar het in deze procedure om draait is derhalve of sprake is van bedrog of fraude.

De (onterechte) argumenten van de Rabobank

De Rabobank stelt in dit verband dat Alkondor het werk al had opgeleverd en dat de slottermijn al was betaald. Bovendien stond niet vast dat er een claim was, wat de omvang van de schade aan de zijde van het Bouwbedrijf al zou zijn, terwijl verder niet duidelijk is of Bouwbedrijf X daadwerkelijk een vordering heeft op Alkondor, aldus de Rabobank. De rechtbank stelt vast dat deze argumenten niet kunnen leiden tot een gegronde weigering tot uitbetaling van de bankgarantie, al was het maar omdat voorshands aannemelijk is, aldus de rechtbank, dat die schade naar verwachting een veelvoud zou kunnen zijn van het bedrag van de bankgarantie.

De rechtbank stelt verder vast dat de Rabobank niet betrokken is bij de onderliggende verhouding tussen het Bouwbedrijf en Alkondor en in beginsel verplicht noch bevoegd is om onderzoek te doen naar de materiële gegrondheid van de claim. Het voeren van die discussie is voorbehouden aan het Bouwbedrijf en Alkondor als contractspartijen van de aannemingsovereenkomst(en). De Rabobank speelt hierin geen rol volgens de rechtbank. Ook de stelling van de Rabobank dat Alkondor jegens de Rabobank zou hebben verklaard dat sprake is van verjaring, doet niet ter zake. Een beoordeling van een mogelijk beroep op verjaring hoort thuis in de rechtsverhouding tussen Bouwbedrijf en-Alkondor en gaat de Rabobank niet aan. Volgens de rechtbank is van een uitzonderingssituatie geen sprake en dient de Rabobank uit te keren.

Conclusie: een bank dient volgens het beginsel van strikte conformiteit de tekst van de bankgarantie strikt te volgen, en dient uit te keren als aan de voorwaarden is voldaan. De bank heeft daarbij geen ruimte tot uitleg of inhoudelijke beoordeling, tenzij sprake is van uitzonderlijke situaties zoals bedrog of fraude.