Ondanks de Ex Works levering toch het vervoer laten regelen door de verkoper? U loopt dan als koper/eigenaar het risico dat de expediteur een pand- en retentierecht kan inroepen op uw goederen vanwege een schuld van de verkoper.

slide2Op 28 mei 2014 deed de rechtbank Noord-Holland een interessante uitspraak in een internationale koop waarin de levering van de goederen tussen verkoper en koper plaatsvond op basis van de Incoterm Ex Works. De rechtbank oordeelde dat ondanks de beschikkingsonbevoegdheid van de verkoper, en het feit dat de eigendom van de goederen al naar de koper was overgegaan, de goederen rechtsgeldig waren bezwaard met een pandrecht en een retentierecht door de verkoper. Indien de expediteur te goeder trouw is, kan hij namelijk de bescherming van artikel 3:238 BW inroepen en ingevolge de toepasselijke Fenex voorwaarden een pandrecht claimen dat zich dan ook uitstrekt over voorgaande vorderingen van de expediteur op de verkoper (uitspraak: ECLI:NL:RBNHO:2014:5554).

De feiten omtrent levering; Ex works Incoterms + vervoer

CZT ltd. is een in China gevestigde vennootschap. Eind 2012 koopt CZT van TurboNed Services BV (TN) diverse goederen met een koopprijs van ruim een ton Euro’s. CZT en TN spreken af dat de koopprijs zal worden betaald door middel van verrekening met een openstaande vordering van CZT op TN. Partijen spreken af dat de levering volgens de Incoterms Ex Works zal plaatsvinden. Anders dan gebruikelijk bij een Ex Works levering spreken partijen daarbij af dat TN voor CZT ook het vervoer zal regelen; de opdrachtbevestiging vermeldt daarom bij delivery adress niet het adres van TN te Zwijndrecht, maar het adres van CZT te China.

Vervoersovereenkomst Fenex voorwaarden

Op 23 november 2012 heeft TN met BestGlobal Logistics (BGL) een vervoersovereenkomst gesloten voor het vervoer van de producten vanaf TN te Zwijndrecht naar China, Changzhou. Op 26 november 2012 zijn de producten bij TN opgehaald door BGL. Op 5 december 2012 is het schip met de producten uitgevaren. BGL heeft voor het vervoer op 6 december 2012 een factuur van EUR 349,51 aan TN gezonden. Op de factuur wordt melding gemaakt van de toepasselijkheid van de FENEX voorwaarden tussen TN en BGL.

Verkoper gaat failliet; expediteur weigert afgifte goederen

Op 11 december 2012, terwijl het schip met de producten onderweg is naar China, wordt het faillissement van TN uitgesproken. BGL had ten tijde van het uitspreken van het faillissement van TN op TN op grond van eerdere vervoersovereenkomsten een vordering van in totaal EUR 85.943,41. In januari 2013 is het schip met de producten aangekomen in Shanghai. BGL geeft de producten niet af aan CZT en beroept zich jegens CZT op een pandrecht en een retentierecht dat voortvloeit uit artikel 19 FENEX voorwaarden. CZT betwist dat BGL een pandrecht kan uitoefenen op de goederen, omdat de goederen ex works zijn geleverd, de goederen daarmee direct eigendom van CZT zijn geworden, en TN daarom geen rechtgeldig pandrecht kan verlenen op goederen die op dat moment al niet van haar zijn. BGL weigert de afgifte en CZT wendt zich dan tot de rechter.

Artikel 19 FENEX voorwaarden

In de FENEX voorwaarden staat in artikel 19 onder meer het volgende:

“1. De expediteur heeft jegens een ieder, die daarvan afgifte verlangt, een pandrecht en een retentierecht op alle zaken, documenten en gelden die de expediteur uit welke hoofde en met welke bestemming ook onder zich heeft of zal krijgen, voor alle vorderingen die hij ten laste van de opdrachtgever en of eigenaar heeft of mocht krijgen. Bij doorzending van de zaken is de expediteur gerechtigd het verschuldigde bedrag daarop na te nemen of daarvoor een wissel te trekken met aangehechte verladingsdocumenten.

2. De expediteur kan de hem in lid 1 toegekende rechten eveneens uitoefenen voor hetgeen hem door de opdrachtgever nog verschuldigd is in verband met voorgaande opdrachten. (…)”

Wanneer wordt pandrecht gevestigd?

Ingevolge artikel 3:84 en artikel 3:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voor het vestigen van een pandrecht vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die beschikkingsbevoegd is. Op grond van artikel 3:236 wordt het pandrecht vervolgens gevestigd door de zaak in de macht van de pandhouder te brengen.

Fenex-voorwaarden leveren geldige titel op voor pandrecht op huidige en voorgaande opdrachten

In artikel 19 van de FENEX-voorwaarden bij de overeenkomst tussen TN en BGL is bepaald dat TN ten gunste van BGL een pandrecht zal vestigen op alle zaken die BGL onder zich heeft voor alle vorderingen die zij ten laste van TN heeft, ook voor het hetgeen hem door de opdrachtgever nog verschuldigd is in verband met voorgaande opdrachten. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling een geldige titel oplevert voor het vestigen van het pandrecht tot het bedrag van EUR 85.943,41 (zijnde het totale bedrag dat TN BGL ten tijde van het sluiten van de vervoersovereenkomst nog verschuldigd was in verband met voorgaande opdrachten).

TN is niet beschikkingsbevoegdheid vanwege EX works levering

De rechtbank is met CZT eens dat de beschikkingsbevoegdheid aan de zijde van TN ontbreekt. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat op het moment dat de overeenkomst is gesloten (op 22 november 2012) de producten bij wederzijdse verklaring aan CZT zijn geleverd. De eigendom van de producten is vanwege de Ex Works levering op dat moment van TN op CZT overgegaan. Derhalve was TN ten tijde van het vestigen van het pandrecht op 26 november 2012 (het moment dat de producten in de macht van BGL zijn gebracht) ten aanzien van de producten niet beschikkingsbevoegd.

Expediteur beschermt tegen beschikkingsonbevoegdheid pandgever

BGL heeft gesteld dat haar – indien TN niet beschikkingsbevoegd zou zijn – desalniettemin bescherming toekomt op grond van artikel 3:238 BW. Ingevolge artikel 3:238 BW is de vestiging van een pandrecht op een zaak ondanks onbevoegdheid van de pandgever geldig, indien de pandhouder te goeder trouw is op het tijdstip waarop de zaak in zijn macht is gebracht.

De rechtbank geeft als maatstaf dat de goede trouw ontbreekt indien het feit of het recht waarop zij betrekking moet hebben (de beschikkingsonbevoegdheid van TN), hetzij aan BGL bekend was, hetzij aan haar bekend had behoren te zijn. Een en ander sluit een onderzoekplicht in, aldus de rechtbank, waarbij bovendien, ingevolge vaste rechtspraak, geldt dat onmogelijkheid van onderzoek niet belet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de werkelijke situatie had behoren te kennen.

BGL te goeder trouw; geen aanleiding tot onderzoek door de expediteur; risico’s Ex Works+vervoer

De rechtbank stelt dan (als onvoldoende bestreden) dat vaststaat dat BGL niet wist dat TN beschikkingsonbevoegd was. De rechtbank stelt ook vast dat hoewel BGL een professionele expediteur is, die bekend kan worden geacht met de in de handel gebruikte Incoterms, BGL niet van de ex works incoterm kon weten, nu op geen van de door haar ontvangen documenten (te weten de ‘Packing List’ en de ‘Proforma Invoice’), melding werd gemaakt van de leveringsvoorwaarde ‘Ex works’.

Volgens BGL en conform de instructies van TN zou de levering op basis van CFR (cost and freight) plaatsvinden. Volgens de rechtbank was het voor BGL niet duidelijk dat TN het vervoer namens CZT regelde, ondanks het verzoek om een prijsopgave namens CZT. NT is immers zelf de vervoersovereenkomst aangegaan. Bij deze gang van zaken had BGL naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding te vermoeden dat ‘Ex works’ geleverd was, noch dat TN anderszins niet beschikkingsbevoegd was. BGL kan de bescherming van artikel 3:238 BW inroepen.

Wanverhouding pandrecht en bedrag vervoersovereenkomst creëert geen onderzoeksplicht expediteur

Hoewel het gewicht van de verrichte handeling, te weten een pandrecht voor EUR 85.943,41 tegen de achtergrond van het kleine belang bij de vervoersovereenkomst, zijnde EUR 349,51 zeer zwaar is, is de rechtbank van oordeel dat daaraan in onderhavige zaak geen doorslaggevende betekenis toekomt. Bij gebrek aan een goede reden voor twijfel aan de beschikkingsbevoegdheid van TN is de enkele wanverhouding tussen het pandrecht en het bij de vervoersovereenkomst gemoeide bedrag namelijk onvoldoende om van BGL te verwachten dat zij nader onderzoek zou instellen. Die wanverhouding gold immers alleen ten opzichte van CTZ en niet ten opzichte van BGL’s opdrachtgever TN, op wie zij een aanzienlijke vordering had. Dat dergelijk onderzoek niet veel om handen hoeft te hebben, zoals CZT heeft gesteld, doet daar niet aan af volgens de rechtbank, nu een aanleiding voor zo’n onderzoek niet bestond.

Geen ruimte voor een beroep op de redelijkheid en billijkheid; “eigen schuld” voor koper

De rechtbank wijst een beroep op de redelijkheid en billijkheid door CZT af. In goederenrechtelijke verhoudingen is hiervoor volgens de rechtbank geen ruimte. Volgens de rechtbank prevaleert het belang van het vlotte handelsverkeer in de onderhavige zaak boven het belang van CZT en dient de rechtbank abstract te toetsen. De rechtbank overweegt : “Daarbij is van groot belang dat de levering ‘Ex works’ in de Incoterms wordt aangeduid als de levering die ‘de minimale verplichting voor de verkoper’ behelst en waarbij ‘alle kosten en risico’s’ na levering voor de koper zijn. De omstandigheid dat zich vervolgens een risico verwezenlijkt, te weten dat door een beschikkingsonbevoegde een pandrecht op de producten is gevestigd, is een risico dat – hoewel ongetwijfeld niet door CZT voorzien – met de keuze voor levering ‘Ex works’ door CZT aanvaard is. Bovendien had CTZ, nu zij sinds 22 november 2012 eigenaar van de producten was, dit risico kunnen vermijden door zelf het vervoer van haar producten te organiseren.” Met andere woorden: kies je als verkoper voor Ex Works, en laat je dan de verkoper toch het vervoer regelen, dan loop je het risico dat de verkoper hoewel beschikkingsonbevoegd wel rechtsgeldig een pandrecht vestigt.

Conclusie: Indien u contracteert op basis van Ex Works, en u daarna als koper aan de verkoper vraagt het vervoer te regelen, loopt u het risico dat door de verkoper op uw goederen een pandrecht wordt gevestigd voor een schuld van de verkoper. Die schuld mag de expediteur mits hij te goeder trouw is, dan op grond van de Fenex voorwaarden jegens u als koper uitoefenen, en hierbij mogen alle voorgaande vervoersovereenkomsten (en schulden) worden betrokken. U bent dan eigenaar van goederen die bezwaard zijn met een pandrecht voor een schuld van de verkoper.

 

Advertenties

Beschrijvende merk- of handelsnamen: een klinkende naam geeft geen garantie op een happy end

Building_DialogueOp 3 juni 2014 heeft de rechtbank te Amsterdam in kort geding een uitspraak gedaan die de aanleiding vormt voor dit stuk. De uitspraak gaat over de beperkte bescherming van beschrijvende merknamen en handelsnamen (vindplaats ECLI:NL:RBAMS:2014:3177). Waar gaat de zaak over? Een (oud-)medewerkster van massagesalon Doctor Feelgood opent een eigen massagesalon met de naam Feelgood-store. Doctor Feelgood vordert hierop in kort geding een verbod op inbreuk op grond van haar merk- en handelsnaamrechten, subsidiair op grond van onrechtmatige daad. De vordering wordt afgewezen op alle onderdelen. Volgens de rechter is er geen inbreuk op het merkrecht, noch op de handelsnaam, noch is het handelen als onrechtmatig te kwalificeren. Reden om dit onderwerp nader toe te lichten.

Wat zijn de feiten? Doctor Feelgood/Feelgood-store

Doctor Feelgood is een massagebedrijf met twee vestigingen in Amsterdam. De handelsnaam Doctor Feelgood Massage Company B.V. wordt sinds 2007 gevoerd. In 2009 wordt het woordmerk Doctor Feelgood en het beeldmerk gedeponeerd.

In december 2013 is gedaagde op freelance basis massagediensten gaan verrichten voor Doctor Feelgood. In de overeenkomst van opdracht tussen partijen is een non-concurrentiebeding opgenomen voor de duur van een jaar nadat de overeenkomst ten einde is gekomen en voor het gebied binnen een straal van 15 kilometer van een van de vestigingen van Doctor Feelgood.

Een maand na het begin van de samenwerking registreert gedaagde de domeinnaam feelgood-store.nl, waaraan de website http://www.feelgood-store.nl is verbonden, op welke website massagediensten (massage therapie en sportmassage) worden aangeboden (gedaagde noemde zich voorheen Maxime Sports).

Kort daarna laat gedaagde weten dat zij zes weken niet kan masseren omdat zij last zou hebben van een ontstoken pees in haar duim. Doctor Feelgood vertrouwt het niet en besluit bij gedaagde een massage te boeken. Onder de naam Mimi Sherlock (!) wordt een werkneemster op pad gestuurd. Ter plaatse aangekomen dringt de werkneemster erop aan dat gedaagde de naam Feelgood-store wijzigt. Gedaagde laat weten hier geen trek in te hebben en Doctor Feelgood sommeert gedaagde – kort gezegd – (i) de inbreuk op de merkrechten en handelsnaamrechten dan wel het onrechtmatig handelen door het gebruik van de handelsnaam Feelgood-Store en de domeinnaam http://www.feelgood-store.nl voor massagediensten te staken en gestaakt te houden, (ii) de domeinnaam over te dragen en (iii) de tot dan toe gemaakte juridische kosten te vergoeden.

Dit wordt geweigerd, en Doctor Feelgood start een kort geding waarin het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom.

Beschrijvende merken/ beschrijvende handelsnamen, geen bescherming?

Aan de rechter wordt de vraag voorgelegd of gedaagde met de naam Feelgood-store inbreuk maakt op de merk- en handelsnaamrechten van Doctor Feelgood. Doctor Feelgood stelt dat Feelgood-store in hoge mate overeenstemt met het merk Doctor Feelgood, en dat de handelsnaam Feelgood-store een te grote gelijkenis vertoont met Doctor Feelgood, zodanig dat verwarring is te duchten.

Gedaagde verweert zich en stelt dat Doctor Feelgood geen bescherming kan claimen voor het woord of de woorden feel good, nu dit onderdeel beschrijvend is. Verder is er volgens haar geen sprake van verwarringsgevaar omdat beide ondernemingen in een andere plaats zijn gevestigd en zich richten op een ander publiek.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt:  “Voor de vraag of verwarringsgevaar te duchten is door het gebruik door [gedaagde] van de naam Feelgood-Store, dient volgens vaste rechtspraak te worden uitgegaan van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument. Daarbij is de totaalindruk van beide handelsnamen van belang. Doctor Feelgood zal dus niet worden gevolgd in haar stelling dat het woord store buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vergelijking. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de namen Doctor Feelgood en Feelgood Store teveel van elkaar verschillen om aan te nemen dat sprake is van verwarringsgevaar. Daarbij wordt meegewogen dat het onderdeel feelgood in de handelsnaam en het merk Doctor Feelgood een beschrijvende, algemene en veelgebruikte term is voor diensten en producten in de categorie persoonlijke verzorging, net als bijvoorbeeld de term wellness. Weliswaar beschrijft het niet precies de aangeboden dienst (massages) maar gelet op de algemeenheid van de term, in samenhang met het feit dat Doctor Feelgood (slechts) rechten heeft verkregen op de gehele naam Doctor Feelgood kan geen bescherming worden verkregen voor het enkele onderdeel Feelgood. “

Volgens de rechter is er dus geen inbreuk op de handelsnaam noch op het merkrecht.

Niet netjes handelen is nog geen onrechtmatige daad

De rechter laat weten wel begrip te hebben voor Doctor Feelgood. De rechter zegt: “Dat [eiseres sub 2] door de handelwijze van gedaagde onaangenaam is getroffen is dan ook invoelbaar. Voor het aannemen van onrechtmatig handelen is het echter onvoldoende. “ Gedaagde handelt bovendien niet in strijd met het non-concurrentiebeding, nu haar bedrijf meer dan 15 kilometer verwijderd is van de dichtstbijzijnde vestiging van Doctor Feelgood, aldus de rechter. De rechter meent dat de namen Doctor Feelgood en Feelgood- Store te zeer van elkaar verschillen om verwarringsgevaar aan te nemen en dat, nu gedaagde met haar eenmanszaak buiten Amsterdam gevestigd is, het niet aannemelijk is dat zij serieuze concurrentie voor Doctor Feelgood zal vormen. Met andere woorden: Het is niet netjes, maar je kunt er geen zaak op baseren.

Proceskostenveroordeling

Een (wellicht schrale) troost voor Doctor Feelgood is dat de rechtbank de proceskosten conform artikel 1019h Rv matigt van Euro 7.962,99 naar Euro 3.500,- te betalen door Doctor Feelgood.

Conclusie: Soms worden klinkende namen bedacht die commercieel gezien goud waard zijn, maar juridisch gezien moeilijk zijn te beschermen. Hoe origineel moet je handelsnaam of merk eigenlijk zijn? Beschrijvende handelsnamen zijn op zichzelf toegestaan, handelsnamen hoeven immers op grond van de wet niet origineel of onderscheidend te zijn. Bij merken is dat anders: om voor registratie en bescherming van een merk in aanmerking te komen, moet een merk voldoende ‘onderscheidend vermogen’ hebben. Anders dus dan bij handelsnamen, want een handelsnaam mag best uit beschrijvende termen bestaan. Een gevolg van een beschrijvende merk- of handelsnaam is echter wel dat de bescherming beperkt is. Voor beide geldt: hoe onderscheidender de naam/het merk, hoe ruimer de bescherming tegen vergelijkbare handelsnamen/tekens. Zo ook in deze zaak. Doctor Feelgood heeft juridisch te gelden als een zwak merk dat weliswaar bescherming kan bieden tegen identieke merken/tekens, maar zodra er sprake is van een afwijking (Feelgood-store), zijn de mogelijkheden tot optreden beperkt. Het inroepen van een zwak merk is voor een merkhouder bovendien ook niet zonder risico’s. De verweerder kan het ingeroepen merk nietig laten verklaren. Als dat lukt, dan valt het merk weg.

Uw vraag rechtstreeks aan mij stellen?