Zoete broodjes bakken door Subway afgestraft: Franchisenemers mogen niet gedwongen worden te arbitreren in New York

contractenOp 3 juni 2014 heeft het Gerechtshof in Amsterdam bepaald dat het arbitraal beding in de algemene voorwaarden van Subway nietig is. Een dure en gekunstelde manier van geschilbeslechting opleggen in de franchiseovereenkomst – naar vreemd recht en in het buitenland – is onredelijk bezwarend voor de franchisenemer en niet toegestaan. Mede vanwege de door minister Kamp op 25 juni 2014 aangekondigde acties is dit aanleiding bij het onderwerp stil te staan en de nieuwe ontwikkelingen te bespreken (vindplaats ECLI:NL:GHAMS:2014:2270).

Franchiseovereenkomst

Subway heeft in haar franchiseovereenkomsten een bijzondere wijze van geschilbeslechting opgenomen. Aan de franchiseovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden van Subway gehecht en daarin staat kennelijk dat het recht van Liechtenstein van toepassing is. Indien er een geschil ontstaat tussen de franchisenemer en Subway dient de franchisenemer als gevolg daarvan een arbitrage aanhangig te maken in New York, in het Engels en volgens de regels van het UNCITRAL. Een dure aangelegenheid.

Nederlandse rechtbank bevoegd

De Subway franchisenemer te Enschede brengt een geschil voor de rechtbank te Amsterdam. Subway stelt dan dat de rechter in Nederland niet bevoegd is en dat de zaak in arbitrage in New York moeten worden beslecht. De franchisenemer stelt dat de in de algemene voorwaarden opgenomen wijze van geschilbeslechting nietig is omdat de bepaling onredelijk bezwarend zou zijn, ook volgens het recht van Liechtenstein. De rechtbank geeft de franchisenemer ongelijk, waarna hij hoger beroep instelt en de vraag nogmaals aan het Hof voorlegt.

Arbitrageclausule ongeldig?

Het Hof stelt direct vast dat het opmerkelijk is dat gekozen is voor het recht van Liechtenstein, terwijl de overeenkomst tussen partijen geen enkele relatie heeft met Liechtenstein. Vanuit het gezichtspunt van de franchisenemer is deze keuze volgens het Hof een complicerende en kostenverhogende omstandigheid.

Het Hof toetst het arbitrale beding aan artikel 879 van het burgerlijk wetboek van Liechtenstein dat bepaalt dat een bepaling nietig is wanneer deze bepaling voor een van de contractspartijen een “aanzienlijke onevenwichtigheid” met zich meebrengt. Het artikel luidt:

“3) Eine in vorformulierten Geschäftsbedingungen enthaltene Klausel, die nicht eine der beiderseitigen Hauptleistungen festlegt, ist jedenfalls nichtig, wenn sie, unter Berücksichtigung aller Umstände des Falles, zum Nachteil eines Vertragsteils ein erhebliches Missverhältnis der vertraglichen Rechte und Pflichten verursacht.”

Aanzienlijke onevenwichtigheid?

Het Hof stelt voorop dat in de verhouding franchisenemer  – Subway, de franchisenemer als de economisch zwakkere partij heeft te gelden. De franchisenemer in deze zaak is een kleine startende ondernemer, die als franchisenemer van Subway een onderneming heeft gedreven; Subway is een multinational die, zoals zij zelf stelt, wereldwijd meer vestigingen heeft dan McDonald’s, aldus het Hof. De financiële middelen, de deskundigheid en economische kracht en macht van Subway gaan die van de franchisenemer verre te boven.

De franchisenemer zou, ook indien hij zonder juridische bijstand zijn zaak zou bepleiten, naar de Verenigde Staten moeten reizen om zijn zaak te kunnen verdedigen. Dit vormt volgens het Hof een aanzienlijke belasting in termen van geld, tijd en energie, nog ongeacht of de franchisenemer zoals hij (heel aandoenlijk) aanvoert, lijdt onder vliegangst.

Subway probeert tevergeefs het arbitrale beding te bagatelliseren door aan te geven dat Subway vaak afziet van een zitting en dat zij ook zou instemmen met een conference call. Het Hof maakt korte metten met deze stelling. Op grond van artikel 6 EVRM heeft de franchisenemer een recht om zijn zaak mondeling te bepleiten, en wordt dat recht min of meer illusoir gemaakt. Een conference call kan volgens het Hof niet gelijk worden gesteld met een mondelinge zitting. Gelet op het feit dat de franchisenemer zijn broodjeszaak exploiteert in Nederland (Enschede) en Subway een in Nederland gevestigde vennootschap is, is er ook geen toereikende rechtvaardiging voor een behandeling van het geschil tussen partijen in de Verenigde Staten, aldus het Hof. Dat in de Verenigde Staten moet worden geprocedeerd, is slechts in het voordeel van Subway, nu haar moederbedrijf daar gevestigd is.

Ook de omstandigheid dat de arbitrale procedure in de Engelse taal zou moeten worden gevoerd, draagt volgens het Hof bij aan de onevenredigheid die het beding meebrengt. De franchisenemer kan daardoor immers niet in het Nederlands, zijn moedertaal, procederen. Dat franchisenemer veelvuldig in het Engels heeft gecommuniceerd met Subway en anderen maakt dit volgens het Hof niet anders, nu het communiceren met een handelspartij als Subway niet gelijk kan worden gesteld aan het communiceren ten overstaan van een scheidsgerecht; daarvoor is kennis van juridische begrippen en uitdrukkingen in de Engelse taal nodig. Franchisenemer zou zich in de arbitrale procedure naar alle waarschijnlijkheid dan ook moeten laten bijstaan door een tolk, vervolgt het Hof, en zo eveneens aanzienlijke kosten moeten maken. Subway stelt weliswaar dat zij ‘in specifieke gevallen’ de kosten van een tolk voor haar rekening neemt, maar het Hof constateert dat Subway niet heeft aangeboden de kosten van een tolk voor de franchisenemer te dragen, zodat aan genoemde stelling geen betekenis toekomt, aldus het Hof.

De stelling van Subway dat deze wijze van geschilbeslechting goedkoper zou zijn voor de franchisenemer wordt door het hof (terecht) als onaannemelijk afgedaan.

Arbitrageclausule nietig

Het Hof concludeert dat de arbitrale overeenkomst een ‘erhebliches Missverhältnis der vertraglichen Rechte und Pflichten’ veroorzaakt en daarom naar het recht van Liechtenstein ongeldig is. Dat de franchisenemer in de vragenlijst van Subway heeft aangegeven het beding te begrijpen, is in dat verband irrelevant, aldus het Hof. Een poging van Subway om zich “in te dekken” tegen een mogelijk toekomstig verweer die mislukt.

 Meest recente ontwikkelingen op het gebied van franchise

Franchisewetgeving bestaat niet.  Minister Kamp heeft op 25 juni 2014 in een debat in de tweede kamer gemeld dat er ook geen speciale wetgeving gaat komen. Wel gaat de Nederlandse “Erecode” worden aangescherpt, zal er een onafhankelijke geschillencommissie in het leven worden geroepen waaraan geschillen moeten worden voorgelegd, en zal er daarin een omkering van de bewijslast gelden voor de franchisegever aldus de Minister (http://debatgemist.tweedekamer.nl/debatten/problemen-van-franchise-ondernemers). De ontwikkelingen die worden geschetst in het debat zijn voor de praktijk belangrijk en franchisegevers en – nemers dienen mijn inziens te anticiperen daarop in contractsonderhandelingen. Ingewikkelde en niet-gebalanceerde  franchiseovereenkomsten – niet alleen daar waar het de geschillenbeslechting betreft – zijn immers niet zonder meer waterdicht.

Vragen hierover? Belt of mailt u gerust op 0183-513745  /  theodora@lexwoodlegal.nl

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s