Huurbescherming voor de franchisenemer: geen ontruiming zonder tussenkomst van de rechter.

contracten

Op 16 december 2014 heeft het Hof in Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2014:4103) in kort geding een interessante uitspraak gedaan voor franchisegevers en franchisenemers. Het Hof heeft bepaald dat een franchisegever die de franchiseovereenkomst beëindigt, daarmee niet automatisch de huurrelatie met de franchisenemer beëindigt. De franchisenemer heeft huurbescherming en de beëindiging van de huurovereenkomst kan als gevolg daarvan alleen door tussenkomst van de rechter worden uitgesproken.

Het geschil tussen franchisegever en franchisenemer

De franchisenemer (exploitant wasstraat) had – zonder de vereiste toestemming van de franchisegever – de prijzen verlaagd om meer klandizie aan te trekken. De franchisegever was het hier niet mee eens. De franchisenemer weigerde de prijzen te verhogen, waarna de franchisegever de betalingsachterstand in de franchise fee van ruim Euro 100.000 opeist en dreigt de franchiseovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Als de franchisenemer niet voldoet aan de sommatie, besluit de franchisegever naar de wasstraat te gaan, plaatst er nieuwe sloten en koppelt met een modem alle programma’s via de eigen server. De exploitatie door de franchisenemer is daarmee niet meer mogelijk.

Kort geding door franchisenemer

De franchisenemer start hierop een kort geding en vordert de toegang tot het pand, afgifte van de sleutels en teruggave van de computerprogramma’s op straffe van een dwangsom. De franchisegever vordert in reconventie betaling van de franchise fee, dan wel het verstrekken van een bankgarantie.

Gemengde overeenkomst

De rechtbank constateert dat sprake is van een gemengde overeenkomst. Hoewel de franchiseovereenkomst dat niet expliciet bepaalt, heeft de franchiseovereenkomst volgens de rechtbank in feite ook een huurkarakter. In de franchise fee is namelijk ook een vergoeding opgenomen voor het gebruik van het gebouw door de franchisenemer. Daarmee is feitelijk tussen partijen een huurovereenkomst tot stand gekomen als gevolg waarvan volgens de rechtbank de dwingendrechtelijke bepalingen van het huurrecht op de franchiseovereenkomst van toepassing zijn.

Dwingendrechtelijke bepalingen huurrecht

Hoewel niet tussen partijen voorzien of beoogt ten tijde van het aangaan van de overeenkomst verhuurde volgens de rechtbank de franchisegever bedrijfsruimte aan de franchisenemer zoals bedoeld in artikel 7:290 BW (huur bedrijfsruimte). Op grond van artikel 7:231 BW kan deze huurovereenkomst dan niet buitengerechtelijk worden ontbonden. De huurder heeft huurbescherming en alleen de rechter kan de ontbinding uitspreken. De rechtbank stelt daarmee vast dat de buitengerechtelijke ontbinding door de franchisegever geen effect had, en dat de franchisegever op straffe van een dwangsom de franchisenemer weer moet toelaten tot de wasstraat. De ontbinding van de franchiseovereenkomst leidt hiermee niet automatisch tot ontruiming van het pand, ondanks de contractuele verplichting tot ontruiming zoals opgenomen in de franchiseovereenkomst.

De vordering van de franchisegever tot betaling van de achterstallige franchise fee c.q. het stellen van een bankgarantie werd afgewezen omdat er geen spoedeisend belang zou zijn, aldus de rechtbank. De franchisegever moest voor die vordering naar de bodemrechter. De franchisegever moet op straffe van een dwangsom dan de sleutels overhandigen aan de franchisenemer die de exploitatie weer ter hand neemt.

Spoedappel bij het Hof

De franchisegever is het hier niet mee eens en stelt hoger beroep in bij het Hof (spoedappel) waar hij nogmaals de ontruiming vordert en de betaling van de achterstallige franchise fees.

Hybride overeenkomst: franchise en huur

Net als de rechtbank oordeelt het Hof dat de rechtsverhouding tussen partijen naast aspecten van regelend recht (kort gezegd het ‘gewone’ contractenrecht waarin de ‘franchiseformule’ is geregeld) “ontegenzeggelijk aspecten van het dwingendrechtelijke huurrecht” bevat.

Het hof verwijst wat dit laatste betreft onder meer naar de passage in het contract tussen partijen waarin partijen zijn overeengekomen dat de (als franchiseovereenkomst geduide) overeenkomst betrekking heeft op “de IMO wasstraat, bestaande uit een gebouw, de wasinstallatie en inventaris”. Het gaat volgens het Hof hierbij onmiskenbaar om bedrijfsruimte, zo al niet in de zin van artikel 7:290 BW (bedrijfsruimte) dan toch tenminste in de zin van artikel 7:230a BW (overige gebouwde onroerende zaken).
Het Hof vervolgt dan door te oordelen dat “beide aspecten van de overeenkomst zo nauw met elkaar samenhangen dat het ene niet zonder het andere kan, waarbij het huurelement in de overeenkomst niet van ondergeschikte betekenis is. Dit betekent dat op grond van artikel 6:215 BW tevens de dwingendrechtelijke huurbepalingen op deze overeenkomst van toepassing zijn”.

Gevolgen huuraspect: dwingende regels huurrecht van toepassing

Volgens het Hof is de naam die partijen aan de overeenkomst (en de betalingen) hebben gegeven, niet bepalend voor de kwalificatie huur. De huuraspecten in de overeenkomst brengen huurbescherming met zich mee zodat ontbinding van de overeenkomst buiten de rechter om niet mogelijk is, aldus het Hof.

Toch ontruiming vanwege ernstige betalingsachterstanden

Anders dan de rechtbank, oordeelt het Hof echter dat de tekortkomingen van de franchisenemer dermate ernstig zijn (forse betalingsachterstand en geen inzicht verstrekken in de omzet), dat de ontbinding van de overeenkomst (ook indien mocht blijken dat er sprake is van een huurovereenkomst) in de bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid te verwachten is. Volgens het Het Hof kan men daarop bij wijze van voorlopige voorziening vooruitlopen en kan van de franchisegever niet gevergd worden dat hij de bodemprocedure afwacht. Het Hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de franchisenemer om binnen veertien dagen de wasstraat “met al het hare en de haren” te verlaten en te ontruimen op straffe van een dwangsom.

Conclusie: Op franchiseovereenkomsten die elementen van huur bevatten, kunnen de dwingendrechtelijke huurbepalingen van toepassing zijn, ook als dat niet is beoogd of voorzien. De franchisegever komt dan voor een onverwachte verrassing te staan. Immers, een franchiseovereenkomst die dan bepaalt dat het einde van de franchiseovereenkomst automatisch het einde van de huurovereenkomst inhoudt, als gevolg waarvan de franchisenemer verplicht is over te gaan tot onmiddellijke ontruiming, heeft dan geen effect. Volgens de dwingendrechtelijke bepalingen van het huurrecht kan alleen de rechtbank de beëindiging en ontruiming bevelen. 

Heeft u vragen? Belt of mailt u gerust naar 0183-513 745 / theodora@lexwoodlegal.nl

Advertenties

Mag u na een bedrijfsovername de arbeidsvoorwaarden van uw nieuwe personeel aanpassen?

contracten

De vraag of opvolgend werkgevers de arbeidsvoorwaarden van hun nieuwe personeel mogen aanpassen, is aan de orde geweest in een onlangs gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Arnhem (ECLI:NL:RBGEL:2014:7296 ). Reden om bij het onderwerp stil te staan en de zaken op een rijtje te zetten.

Nieuwe/gewijzigde arbeidsvoorwaarden

Twee werknemers (A en B) zijn sinds 1987 en 2000 in dienst van Univé. In hun arbeidsvoorwaarden is een bepaling opgenomen die de werkgever het recht geeft, na overleg met de vakorganisaties en/of ondernemingsraad, de arbeidsvoorwaarden aan te passen (zog. eenzijdig wijzigingsbeding).

Met ingang van 1 januari 2011 komen A en B krachtens overgang van onderneming in dienst bij VGZ. In 2011 sluit VGZ een nieuwe cao met de bonden als gevolg waarvan een aantal regelingen voor de “oud” Univé mensen vervalt en zij in een aantal opzichten erop achteruit gaan. Volgens de nieuwe cao moeten A en B namelijk een eigen bijdrage betalen voor het reizen in de 1ste klas, vervalt een bonusregeling en krijgen zij voortaan 10% korting op verzekeringen van VGZ in plaats van 20% korting die zij voorheen kregen bij Univé.

A en B zijn het er niet mee eens dat hun arbeidsvoorwaarden (op een aantal onderdelen) verslechteren en stappen naar de rechter. Zij vorderen dat de door VGZ toegepaste (nieuwe) cao buiten toepassing wordt verklaard hun arbeidsvoorwaarden die golden ten tijde van de overname.

Overgang van onderneming versus toepassing eenzijdig wijzigingsbeding

A en B stellen dat vanwege de overgang van onderneming de bij Univé op hun arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde rechten en plichten onverkort van toepassing zijn én blijven. In art. 7:663 BW is immers bepaald dat door de overgang van een onderneming de rechten en verplichtingen die op dat moment voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem (de vervreemder) en de daar werkzame werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijger, aldus A en B.
A en B stellen dat deze regel (het van rechtswege overnemen van alle rechten en plichten bij overgang van onderneming) het eenzijdig wijzigingsrecht van de opvolgend werkgever inperkt c.q. doet vervallen.

Eenzijdige wijziging arbeidsvoorwaarden i.s.m. regels overgang van onderneming?

A en B stellen dat harmonisatie van arbeidsvoorwaarden (gelijktrekken van “oude” met “nieuwe” voorwaarden) wegens wijzigingen in de juridische structuur en de overgang van onderneming niet is toegestaan. Volgens A en B vervalt de bevoegdheid om het wijzigingsbeding toe te passen vanwege de overgang van onderneming die de werkgever verplicht om alle rechten en plichten onverkort over te nemen.

De jurisprudentie inzake overgang van onderneming en aanpassing arbeidsvoorwaarden zonder wijzigingsbeding

Het is vaste jurisprudentie dat het wijzigen van arbeidsvoorwaarden wegens de overgang van onderneming in beginsel niet is toegestaan (HvJ 10 februari 1988, NJ 1990, 423 r.o. 17). Ook wijziging van arbeidsvoorwaarden wegens de wens tot harmonisatie over te gaan onmiddellijk na de overgang van onderneming wordt in beginsel niet toelaatbaar geacht (HvJ EG 6 november 2003, JAR 2003, 297). De doelstelling van art. 7:662 BW e.v. is immers om te verhinderen dat bij een overgang van onderneming betrokken werknemers uitsluitend ten gevolge van deze overgang in een minder gunstige positie komen te verkeren (HvJ 6 september 2011, JAR 2011, 262 r.o. 75 en 76). De opvolgend werkgever hoeft arbeidsvoorwaarden uit een cao in een aantal gevallen niet toe te passen, wanneer bijvoorbeeld de cao afloopt of een andere cao wordt toegepast. In de Nederlandse wetgeving is een dergelijke regel te vinden in art. 14a Wet Cao.

Belang overeenkomen eenzijdig wijzigingsbeding

In de arbeidsvoorwaarden van A en B is echter een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen. Door de overname is ook dit beding overgedragen. De kantonrechter oordeelt dat aangezien sprake was van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW, VGZ (als opvolgend werkgever) zich mag beroepen op het eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsvoorwaarden nu dat eveneens is overgegaan.

De kantonrechter oordeelt dat “niet valt in te zien dat bij toepassing van het eenzijdig wijzigingsbeding, in het licht van het in artikel 7:613 BW bepaalde, afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van artikel 7:662 e.v. BW en de daaraan ten grondslag liggende Europese richtlijn(en).

Met andere woorden: wanneer een eenzijdig wijzigingsbeding is overeengekomen, dan gaat dat recht mee over op de nieuwe werkgever. De overgang van onderneming heeft niet tot gevolg dat het eenzijdig wijzigingsbeding vervalt. VGZ kan daarom met een beroep op het eenzijdig wijzigingsbeding tot harmonisatie van arbeidsvoorwaarden komen. Zou dit beding niet zijn overeengekomen dan zou harmonisatie in het licht van de jurisprudentie bij overgang van onderneming in beginsel niet toelaatbaar zijn geweest, aldus de kantonrechter.

Wanneer mag een werkgever eenzijdig wijzigen?

In art. 7:613 BW is bepaald dat een werkgever slechts een beroep kan doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst opgenomen arbeidsvoorwaarde te wijzigen als hij daarbij een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

Samenvatting: Wanneer in arbeidsvoorwaarden een eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen, gaat dit beding over op de nieuwe werkgever. Volgens de rechtbank is het toepassen van een overeengekomen wijzigingsbeding niet in strijd met de bepalingen omtrent overgang van onderneming. Wanneer de werkgever een zwaarwichtig belang heeft, dan is aanpassing van de arbeidsvoorwaarden mogelijk en kan het belang van de werknemers dat hierdoor wordt geschaad, wijken. Redenen van economische, technische en organisatorische aard kunnen aanleiding zijn voor dergelijke aanpassingen in de arbeidsvoorwaarden. De rechtbank heeft bepaald dat wijziging van arbeidsvoorwaarden zelfs onvermijdelijk kan zijn omdat de oude voorwaarden door de overgang van onderneming niet meer uitvoerbaar zijn.

Heeft u vragen? Belt of mailt u gerust! 0183-513 745 of theodora@lexwoodlegal.nl