Goodwillvergoeding verplicht ook wanneer geen sprake is van een agentuurovereenkomst

Best_Solution

Op 20 januari 2015 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch een interessante uitspraak gedaan over de verplichting tot betaling van een klantenvergoeding aan een bemiddelaar na het beëindigen van de bemiddelingsovereenkomst (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2015:134) Hoewel geen sprake was van een agentuurovereenkomst tussen partijen, en de betaling van een klantenvergoeding bij de beëindiging van de opdracht tot bemiddeling dus niet wettelijk verplicht is, noch in dit geval contractueel was overeengekomen, moet de opdrachtgever tóch een klantenvergoeding betalen omdat de bemiddelingsovereenkomst tussen partijen volgens het Hof wezenlijke elementen bevat van een agentuurovereenkomst.

De casus

Tussen A en Mucho Gusto bestond vanaf december 2006 een agentuurovereenkomst voor Nederland waarbij Mucho Gusto (fabrikant van sieraden en sjaals) optrad als principaal en A als agente.

Tussen A en B bestond vanaf februari 2008 een overeenkomst op grond waarvan B voor A in Noord-Nederland bemiddeling verleende bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen klanten en Mucho Gusto. B bracht klanten aan bij A, en A zorgde ervoor dat de klanten rechtstreeks met Mucho Gusto een koop sloten. A en B hebben de onderling gemaakte afspraken niet schriftelijk vastgelegd.
A ontving 15% provisie van Mucho Gusto over aangebrachte omzet. Daar waar het door B aangebrachte omzet betrof, droeg A 2/3 deel van deze provisie af aan B. Tussen A en B bestaat voorts de afspraak dat A aan B een aanbreng fee betaalt per klant volgens een bepaalde staffel (variërend van Euro 50 tot Euro 500 per klant).

De overeenkomst tussen A en B wordt dan met inachtneming van een opzegtermijn van 6 maanden en onder verwijzing naar de wettelijke regels omtrent agentuur door A beëindigd per 1 december 2012.

De agentuurovereenkomst tussen A en Mucho Gusto is na opzegging door Mucho Gusto een maand later geëindigd. A onderhandelt en ontvangt van Mucho Gusto een klantenvergoeding bij de beëindiging van haar agentuurrelatie van Euro 40.000.
B vordert van A op haar beurt een klantenvergoeding van € 21.052,- hetgeen A weigert. B start dan een procedure op.

Wanneer is een goodwillvergoeding verschuldigd?

B doet in rechte een beroep op artikel 7:442 BW dat geldt in agentuurrelaties Dit artikel is van dwingendrechtelijke aard en bepaalt dat een principaal een goodwillvergoeding is verschuldigd aan de agent na de beëindiging van de agentuurovereenkomst, indien en voor zover de agent (i) nieuwe klanten heeft aangebracht, dan wel (ii) de klantenkring aanmerkelijk heeft uitgebreid én (iii) deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren.

Als dat het geval is, en de betaling is billijk, dan is de principaal verplicht aan de agent een goodwill vergoeding te betalen die niet hoger is dan de verdiende provisie door de agent over een periode van 1 jaar. Vooraf deze verplichting ‘wegcontracteren” of beperken is niet mogelijk.

Kantonrechter: Geen aanzienlijke voordelen

De kantonrechter classificeert de rechtsverhouding tussen A en B kennelijk als een agentuurrelatie, maar wijst de vordering vervolgens af, omdat volgens de rechter niet is voldaan aan de voorwaarde dat de door B aangebrachte klanten (of klanten waarvan zij de overeenkomsten nog aanzienlijk heeft uitgebreid) na het einde van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen opleveren voor A. Daar is B het niet mee eens, en zij stelt hoger beroep in.

In het hoger beroep moet het Hof zich vanwege het verweer van A eerst uitlaten over de vraag of nu wel of niet sprake is van een agentuurrelatie tussen A en B.

Wettelijke definitie agentuurovereenkomst

Het Hof haalt artikel 7:428 lid 1 BW aan waarin de agentuurovereenkomst wordt omschreven als een overeenkomst, waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij, de handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een bepaalde of een onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn.

Volgens het Hof is in het onderhavige geval hiervan geen sprake. B verleende weliswaar in opdracht van A bemiddeling bij de totstandkoming van overeenkomsten met klanten voor het merk Mucho Gusto, maar deze overeenkomsten kwamen niet tot stand tussen A en de klant, maar tussen Mucho Gusto en de klant.

Hof: Geen agentuurrelatie

Om die reden kan in de verhouding tussen A en B A niet worden aangemerkt als principaal en kan de tussen A en B gesloten overeenkomst dus niet worden beschouwd als een agentuurovereenkomst in de zin van artikel 7:428 lid 1 BW.
Dit betekent dat de wettelijke regeling ten aanzien van de agentuurovereenkomst, waaronder de bepaling over de klantenvergoeding, niet rechtstreeks van toepassing is op de overeenkomst tussen partijen, aldus het Hof.

Hof: Opdracht tot bemiddeling met wezenlijke elementen van agentuur

Maar volgens het Hof is daarmee de kous nog niet af. Gelet op de provisieafspraken en gelet op de omstandigheid dat met inachtneming van de wettelijke regels inzake agentuur door A is opgezegd, is er volgens het Hof sprake van een overeenkomst van opdracht, die wezenlijke elementen bevat van een agentuurovereenkomst.

Het Hof stelt dan dat hoewel partijen geen afspraken hebben gemaakt over de financiële gevolgen van de beëindiging van de overeenkomst, de overeenkomst wordt aangevuld door de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien (art. 6:248 lid 1 BW).

Het Hof oordeelt dat: “de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een gedeelte van de door Mucho Gusto aan A op basis van voornoemde schikking betaalde klantenvergoeding voor zover dat betrekking heeft op de door B aangebrachte klanten in Noord-Nederland op grond van de overeenkomst tussen partijen toekomt aan B.”

Het hof acht – schattenderwijs – een vergoeding van € 10.000,- redelijk die A toch aan B moet voldoen.

Conclusie: Partijen hadden niets op papier gesteld – maar feitelijk werkte B als “sub agent” van A. B kreeg 2/3 deel van de totale provisie van A voor door B aangebrachte klanten én bij de beëindiging van de overeenkomst met B wees A op de opzegtermijn die in acht wordt genomen in agentuurrelaties. Het Hof oordeelt dat het vanwege deze “wezenlijke elementen” van agentuur het redelijk en billijk is dat wanneer A een goodwillvergoeding ontvangt voor door B aangebrachte klanten, A hiervan een deel aan B afdraagt. Op zichzelf geen onredelijke uitkomst omdat partijen niet anders hadden afgesproken en kennelijk ook A van agentuur uitging. Maar hoe redelijk is het dat het Hof geen rekening houdt met de door A aan B reeds betaalde aanbreng fee (variërend van 50 euro tot 500 euro per door B aangebrachte klant)?

Heeft u vragen? Belt of mailt u gerust naar  0183-513 745 /  Theodora@lexwoodlegal.nl

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s