Provisies en klantenvergoedingen in agentuurrelaties: Waar heeft een agent recht op na vertrek?

contracten

Op 18 maart jl. heeft de kantonrechter te Zutphen (http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2015:2209) uiteengezet op welke betalingen een agent recht heeft bij beëindiging van de agentuurovereenkomst door de principaal. Hoe zat het ook alweer met de berekening van provisie en klantenvergoeding voor de agent? Een toelichting hierop aan de hand van onderstaande casus.

De agentuurovereenkomst

Tussen een agent en Joymed is op 25 februari 2011 een agentuurovereenkomst gesloten ter zake de bemiddeling en verkoop van medische apparatuur. Op 12 september 2013 zegt Joymed deze agentuurovereenkomst op met inachtneming van de (contractuele) opzegtermijn van drie maanden tegen 31 december 2013. De agent wordt gedurende de opzegtermijn vrijgesteld van werkzaamheden en zijn taken worden overgenomen door Joymed.

De agent wendt zich dan tot de kantonrechter en vordert o.a. betaling van provisie, een klantvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:442 BW uit hoofde van goodwill, en tot slot Euro 60.000 aan verbeurde boetes. De vordering van de agent bedraagt in totaal bijna 1,5 ton.

Hoe zit het met provisie over deals die na het vertrek van de agent tot stand komen?

Op grond van de wet heeft de agent recht op provisie tot aan het einde van de overeenkomst, maar ook erna. Wordt de agentuurovereenkomst onregelmatig opgezegd (te korte opzegtermijn) dan heeft de agent recht op schadevergoeding ter hoogte van de misgelopen provisies tot aan het einde van de overeenkomst (indien deze op juiste wijze zou zijn beëindigd). Zorgvuldige beëindiging is daarom van groot belang.

Een agent heeft echter ook recht op provisies na zijn vertrek. In de wet staat namelijk dat een agent recht heeft op provisie voor de voorbereiding van na het einde van de agentuurovereenkomst tot stand gekomen overeenkomsten, indien deze hoofdzakelijk aan de tijdens de duur van de agentuurovereenkomst door de agent verrichte werkzaamheden zijn te danken en – indien dat het geval is – binnen een redelijke termijn na het vertrek van de agent zijn afgesloten (artikel 7:431 lid 2 BW). Deze regels is van dwingend recht en afwijken hiervan in een contract is niet mogelijk.

De agent heeft in deze zaak gesteld dat hij op grond van de agentuurovereenkomst nog recht heeft op betaling van provisie voor die orders die na 31 december 2013 zijn geplaatst. Volgens de agent kan hij nog aanspraak maken op Euro 66.000,-. Joymed voert verweer tegen deze vordering door te zeggen dat in de agentuurovereenkomst is bepaald dat de agent slechts aanspraak kan maken op deals die binnen 3 maanden na zijn vertrek zijn gesloten, en dat de betreffende deals na deze termijn zijn gesloten, te meer aldus Joymed, nu deze deals vooral door toedoen van Joymed zelf zijn tot stand gekomen en niet door toedoen van de agent.

Wat is een redelijke termijn waaraan artikel 7:431 lid 2 BW refereert?

Volgens de agentuurovereenkomst heeft de agent recht op provisie wanneer de deals binnen 3 maanden na zijn vertrek tot stand zijn gekomen. De kantonrechter oordeelt dat wat een redelijke termijn is, zal moeten worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Volgens de kantonrechter in de termijn van 3 maanden niet redelijk nu het verkoopproces langdurig en ingewikkeld is, waarbij voorts een (negatieve) rol speelt dat de agent tijdens de opzegtermijn was vrijgesteld van werkzaamheden door Joymed. Dat brengt mee, aldus de kantonrechter, dat een termijn van 4 maanden na het einde van agentuurovereenkomst in dit geval als een redelijke termijn wordt beschouwd.

Wie bewijst dat de werkzaamheden van de agent hebben geleid tot de deals?

Volgens de kantonrechter is dat de agent. Dit betekent dat een agent ter onderbouwing van zijn stelling een overzicht moet overleggen van door hem verrichte werkzaamheden die volgens hem hebben geleid tot overeenkomsten (te denken valt aan toezeggingen, offerteaanvragen, principe akkoorden etc.).

Heeft de agent recht op een klantenvergoeding?

De kantonrechter refereert aan het belangrijke arrest van de Hoge Raad van HR 2 november 2012, BW9865 waarin is bepaald dat de vaststelling van de te betalen klantenvergoeding in drie fasen verloopt.

Wat zijn die 3 fasen?

In de eerste fase moeten de voordelen die transacties met door de agent aangebrachte klanten de principaal opleveren, gekwantificeerd worden (art. 7:442 lid 1 aanhef en sub a BW). In de tweede fase moet beoordeeld worden of reden bestaat het vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval en in het bijzonder op de door de agent gederfde provisie, waarbij de billijkheid zowel een verhoging als een verlaging van dit vastgestelde bedrag kan meebrengen (art. 7:442 lid 1 aanhef en sub b BW). In de derde fase wordt dan getoetst of het uit de twee eerdere fasen volgende bedrag het in het tweede lid van art. 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat. Een toelichting aan de hand van de Joymed casus:

FASE 1: De kantonrechter dient de vraag te beantwoorden of de agent voor Joymed nieuwe klanten heeft aangebracht, of de bestaande klantenkring heeft uitgebreid, en aldus of de overeenkomsten met klanten voor Joymed nog aanzienlijke voordelen opleveren. Dit voordeel van Joymed moet worden vastgesteld aan de hand van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende brutoprovisie betreffende deze klanten. Het voordeel van Joymed, gelegen in de mogelijkheid voor haar om de door de agent tot stand gebrachte klantrelaties na beëindiging van de agentuurovereenkomst te kunnen blijven gebruiken zonder daarover provisie verschuldigd te zijn, wordt daarom vastgesteld op de brutoprovisie over de laatste 12 maanden.

Het is voor de principaal mogelijk dit bedrag naar beneden te laten corrigeren, indien het voordeel slechts tijdelijk is en niet structureel, het verloop van het klantenbestand groot is en indien provisie-inkomsten versneld zijn ontvangen. Volgens de kantonrechter was hiervan in deze casus geen sprake.

FASE 2: In de tweede fase moet beoordeeld worden of de betaling van deze klantenvergoeding billijk is, waarbij alle omstandigheden van het geval een rol kunnen spelen. Onder meer zijn van belang de hoogte van de verloren provisie, de redenen die tot het einde van de agentuurovereenkomst hebben geleid, de duur van de overeenkomst, het al of niet toepasselijk zijn van het in art. 7:443 BW bedoelde concurrentiebeding en de financiële omstandigheden van de agent en Joymed.  Alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang bezien, volgt aldus de kantonrechter, uit het voorgaande dat Joymed aan de agent in beginsel een klantenvergoeding in de zin van artikel 7:442 BW, verschuldigd is ten bedrage van € 39.931,20.

FASE 3: Rest ten slotte de derde fase waarin moet worden bezien of dit bedrag uitkomt boven het wettelijk maximum van artikel 7:442 lid 2 BW. Omdat de agentuurovereenkomst korter heeft geduurd dan 5 jaar, moet worden bezien of de vastgestelde klantenvergoeding niet uitkomt boven de gemiddelde beloning over de gehele duur van de overeenkomst. Is dat wel het geval dan vindt er een correctie/maximering plaats.

Ten aanzien van de contractuele boetes

Partijen hadden in de agentuurovereenkomst bepaald dat elke overtreding recht zou geven op het incasseren van een boete van Euro 20.000. Dat mes snijdt aan twee kanten. Nu Joymed te laat was met betalen van de provisie is Joymed volgens de kantonrechter een boete verschuldigd van € 20.000,-. Volgens de kantonrechter had Joymed geen beroep gedaan op matiging van de boete en evenmin aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de agent onder de omstandigheden van het geval een beroep doet op het boetebeding.

Conclusie: De agent geniet bescherming op grond van dwingendrechtelijke regels (van Europese oorsprong). Afwijken van deze regels die tot doel hebben de agent te beschermen, is niet mogelijk. Bepalingen daartoe in contracten zijn nietig. De agent heeft recht op provisie, zowel tijdens de duur als na beëindiging van de agentuurovereenkomst indien er deals tot stand komen die de agent heeft voorbereid voorafgaand aan de beëindiging van de agentuurovereenkomst en die gedurende een redelijke termijn na beëindiging alsnog tot stand komen. Hoe lang is die redelijke termijn? Dat moet per geval beoordeeld en vastgesteld worden. Ten aanzien van de klantenvergoeding (goodwill) heeft de Hoge Raad in 2012 in een belangrijk arrest (T-Mobile/Icom) uitgemaakt dat de vaststelling gaat volgens de hierboven geschetste 3 fasen die vrij nauwkeurige handvatten vormen voor het bepalen van de hoogte daarvan. Een klantenvergoeding voorafgaand uitsluiten is niet mogelijk.

Heeft u vragen? Belt of mailt u gerust: 0183-513 745 / Theodora@lexwoodlegal.nl

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s