Achteraf je algemene voorwaarden van toepassing verklaren en je aansprakelijkheid beperken?

contracten

Op 9 oktober 2015 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de vraag of een aansprakelijkheidsbeperking (exoneratie) tussen partijen op geldige wijze was overeengekomen (vindplaats: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:3013). Er was sprake van een mondelinge koopovereenkomst (telefonische bestelling) waarbij koper ten tijde van de levering een afleverbon tekent voor ontvangst van de goederen. Op de afleverbon staat een voorgedrukte exoneratie met daarop een verwijzing naar de algemene voorwaarden van de verkoper. Is dit onderdeel van de overeenkomst tussen partijen?

De achtergrond: Jarenlange zakelijke relatie op basis van vast patroon
MeeGaa heeft in de periode 2006 tot 2009 op regelmatige basis potgrondproducten geleverd aan X. De bestelling geschiedde telefonisch en werd vervolgens door MeeGaa bij X afgeleverd door storting in de voorraadbunker van X . Bij de aflevering namen zowel X als MeeGaa doorgaans een monster van de geleverde grond. In veel gevallen werd door X een afleverbon “voor ontvangst” getekend. Beide partijen behielden een exemplaar van de afleverbon.

De beperking van aansprakelijkheid op de afleverbon en de algemene voorwaarden
De afleverbon vermeldt: “De aansprakelijkheid van de verkoper voor de kwaliteit van de verkochte goederen blijft onder alle omstandigheden beperkt tot ten hoogste het netto in rekening gebrachte factuurbedrag. (…) Op al onze aanbiedingen, leveranties en werkzaamheden zijn van toepassing de Algemene verkoopvoorwaarden van Potgrondfabrikanten, welke voorwaarden zijn gedeponeerd bij de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage onder nummer 25/2007.”

De claim: Schimmels en paddenstoelen in de potgrond
In augustus 2008 klaagt X mondeling bij MeeGaa over de kwaliteit van geleverde potgrond in juli 2008. De levering uit juli zou problematisch zijn omdat er schimmels en paddenstoelen werden geconstateerd. Het netto factuurbedrag van de problematische levering bedroeg nog geen Euro 4.000,-.
Op zichzelf dus geen ramp, ware het niet dat de kweker de beschimmelde potgrond van MeeGaa (met paddenstoel en al) in de bunker had laten zitten en hier overheen (steeds) nieuwe potgrond had laten storten. X bleek vervolgens dat de gehele voorraad potgrond waterafstotend was geworden als gevolg waarvan X grote schade had geleden. X stelde MeeGaa aansprakelijk, en de schade werd begroot op € 1.800.000,-.

Tot de Hoge Raad en terug
De rechtbank vond het beroep van MeeGaa op de exoneratieclausule (de maximering aansprakelijkheid tot factuurbedrag) gegrond. De rechtbank haalde de heersende leer aan: De hoofdregel is namelijk dat nagekomen verwijzingen naar exoneraties en algemene voorwaarden niet geldig zijn. Hierop is een uitzondering mogelijk, namelijk: TENZIJ de koper het gerechtvaardigd vertrouwen wekt dat hij met deze nagekomen verwijzing akkoord is. En daarvan besluit de rechtbank kan sprake zijn in langlopende leveranciersrelaties. Als je dan als koper niet piept, wek je het vertrouwen dat je akkoord bent met de beperking van aansprakelijkheid en toepasselijkheid van algemene voorwaarden.

De rechtbank vond een beroep op de exoneratie verder ook niet onredelijk, nu deze in de branche van potgrondfabrikanten gebruikelijk was en ook in de algemene voorwaarden van andere potgrondfabrikanten was opgenomen. Nu X een professionele tuinder is, vond de rechtbank de beperking van aansprakelijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Het Hof zag het anders en oordeelde dat MeeGaa de overeenkomt niet achteraf mocht wijzigen en motiveerde niet waarom hier niet sprake zou zijn van de uitzondering op de (hoofd)regel.

De Hoge Raad zet dat recht en het Hof wordt teruggefloten. Het Hof had moeten uitleggen waarom “de bestendige vermelding van de exoneratie op de afleverbonnen van een groot aantal eerdere leveranties van potgrond, waartegen door X niet is geprotesteerd, niet kan volgen dat het vertrouwen is gewekt bij MeeGaa dat X als professionele tuinder dit beding accepteerde bij opvolgende leveringen na de betreffende telefonische bestellingen.”

Conclusie: Van belang is dat de algemene voorwaarden voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst van toepassing worden verklaard. En dus niet erna. Want dat geeft gedoe. Tot en met de Hoge Raad én terug. Het kan namelijk nog steeds zo zijn dat MeeGaa in de zaak alsnog (mega) onderuit gaat, omdat volgens de stukken er (steeds) een grote sticker zou hebben gezeten op de plaats van de tekst van de exoneratie en verwijzing naar algemene voorwaarden op de afleverbonnen. X zegt daarmee dat die verwijzing helemaal niet leesbaar zou zijn geweest en daar moet dus nu nog op worden geoordeeld (ruim 7 jaren na levering). Van groot belang (juist vanwege de enorme gevolgen) is daarom dat algemene voorwaarden tijdig ter hand worden gesteld: vooraf, niet achteraf. Nagekomen verwijzingen zijn dus te laat. Als de koop telefonisch wordt gesloten, stuur de algemene voorwaarden dan direct mee in een bevestigingsmail. Gebeurt dat niet, dan moet bewezen worden dat sprake is van de uitzondering op de hoofdregel (opgewekt vertrouwen) – en dat is geen garantie op een goede afloop.

Heeft u vragen?  Belt of mailt u dan gerust 0183 513745 / Theodora@lexwoodlegal.nl

Toegetreden tot een bestaande v.o.f.? Dan bent u óók aansprakelijk voor “oude” schulden!

Building_Dialogue

De Hoge Raad heeft zich onlangs uitgelaten over de principiële vraag of een toetredende vennoot tot  een v.o.f. aansprakelijk is voor schulden die zijn ontstaan vóór diens toetreding tot de v.o.f. Het antwoord luidt bevestigend: een vennoot is aansprakelijk voor alle schulden, en dus ook voor “oude” schulden (ECLI:NL:HR:2015:588).

Toetreden tot een v.o.f.: onderscheid tussen oude en nieuwe schulden relevant?

X is toegetreden tot een bestaande v.o.f. genaamd Carlande met als bedrijfsomschrijving: het detacheren van chauffeurs binnen het beroepsgoederenvervoer over de weg. Carlande wordt per 12 januari 2011 opgeheven en diverse schuldeisers blijven onbetaald.

X wordt dan door een schuldeiser (Pensioenfonds) gedagvaard. Volgens het Pensioenfonds moet X € 53.347,12 aan premies en kosten betalen. De kantonrechter wijst de vordering van het Pensioenfonds toe. X is als vennoot hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van Carlande en daaraan doet volgens de kantonrechter niet af dat die schulden vóór zijn aantreden als vennoot zijn ontstaan.

Is aanvaarding van de “oude” schulden door de nieuwe vennoot relevant?

X laat het er niet bij zitten en stelt hoger beroep in. X stelt in het hoger beroep dat hij weliswaar hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de v.o.f., maar dat hij zich niet gehouden acht om premies te betalen over periodes voorafgaand aan zijn aantreden. Volgens X hadden de schuldeisers van de v.o.f. alle gelegenheid om hun vorderingen mede te verhalen op de ten tijde van het ontstaan van hun vordering verantwoordelijke vennoten en er zou geen enkele rechtens aanvaardbare aanleiding zijn om hen bij toetreding van een volstrekt nieuwe vennoot een extra verhaalsmogelijkheid in de schoot te werpen indien en zo lang deze vennoot op geen enkele wijze zelf aangeeft deze verplichtingen op zich te willen nemen. Hiermee heeft X de heersende lijn in de rechtsliteratuur aangehaald, maar het Hof wijst dit verweer resoluut af.

Hoge Raad: alle vennoten aansprakelijk voor alle schulden!

X stelt dan cassatie in over deze principiële vraag. De Hoge Raad had zich niet eerder uitgelaten over de vraag of een toetredende vennoot óók aansprakelijk is voor schulden die vóór zijn toetreden zijn ontstaan, zodat het arrest van groot belang is. In de lagere rechtspraak en literatuur heerste bovendien verdeeldheid. De Hoge Raad heeft nu aan deze onzekerheid een einde gemaakt.

Volgens de Hoge Raad, en onder verwijzing naar de tekst en parlementaire geschiedenis van art. 18 WvK is het altijd de bedoeling van de wetgever geweest om alle vennoten voor alle schulden van de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk te doen zijn. De regeling in art. 18 WvK is ongeclausuleerd, waaruit kan worden afgeleid dat vennoten die toetreden mede aansprakelijk zijn voor schulden die vóór de toetreding zijn ontstaan, aldus de Hoge Raad.

Volgens de Hoge Raad wordt hiermee de rechtszekerheid bevorderd en mogelijke complicaties, wanneer bijvoorbeeld onduidelijk is wanneer een schuld is ontstaan of wanneer een vennoot is toegetreden, worden voorkomen. Van een toetredende vennoot mag worden verwacht dat hij een (due diligence) onderzoek zal uitvoeren naar de (vermogensrechtelijke) positie van de vennootschap alvorens hij toetreedt. Mocht hij bij dat onderzoek op “oude” schulden stuiten, dan staat het hem vrij hierover (regres)afspraken te maken met de bestaande vennoten, een voorstel te doen tot het oprichten van een nieuwe v.o.f./c.v. of af te zien van het toetreden.

Met het gegeven dat schuldeisers hun schulden kunnen verhalen op het gehele vennootschapsvermogen, waaronder ook het vennootschapsvermogen voor zover ingebracht door toetredende vennoten, valt immers moeilijk te rijmen dat schuldeisers zich wel op het privévermogen van bestaande vennoten, maar niet op het privévermogen van toetredende vennoten kunnen verhalen, aldus de Hoge Raad.

Conclusie: Wanneer u toetreedt tot een bestaande v.o.f. bent u hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de v.o.f. ongeacht het moment van ontstaan van die schulden. Toetreden zonder voorafgaande due diligence is onverstandig. Komt u “oude” schulden tegen dan moet dus intern afgesproken worden wie / wat / hoeveel zal moeten betalen.  Doet u dat niet, dan heeft u geen regres voor het geheel.

Heeft u vragen? Neem contact op met 0183 513745 / theodora@lexwoodlegal.nl

De bijzondere zorgplicht van de franchisegever: de risico’s van het verstrekken van exploitatieprognoses

Building_DialogueOp 9 april 2014 heeft de rechtbank te Almelo in de Top 1 Toys zaak een interessante uitspraak gedaan over de bijzondere zorgplicht van de franchisegever wanneer aan de franchisenemer een exploitatieprognose wordt verstrekt (ECLI:NL:RBOVE:2014:1985). Wat houdt deze bijzondere zorgplicht in? Wat zijn de risico’s van het verstrekken van een exploitatieprognose? Zijn deze risico’s contractueel af te dichten? Rust er een onderzoeksplicht op de franchisenemer? Hieronder een antwoord op deze vragen.

 

De feiten:

Otto Simon is een groothandel in speelgoedartikelen en levert speelgoed aan ruim 250 ondernemingen die onder haar formule Top 1 Toys speelgoedwinkels exploiteren. Op 7 oktober 2010 is een samenwerkingsovereenkomst gesloten met een franchisenemer voor de duur van vijf jaar. Voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst heeft Otto Simon een uitgebreide opzet betreffende de marktpotentie van een Top 1 Toys winkel naar de franchisenemer gestuurd. In deze opzet staan gegevens over het betreffende verzorgingsgebied, de (koopkracht)binding, het besteedbaar inkomen, de gemiddelde koopkrachtindex, de kindindex, het huurprijsniveau en de bestedingen per hoofd van de bevolking. Otto Simon heeft ook een concept investeringsbegroting en financieringsplan gestuurd naar de franchisenemer met daarbij een specificatie van de investeringen en bedrijfsresultaten. Onder de noemer “taakstelling” worden daarin voor het eerste, tweede en derde jaar te behalen netto-omzetten vermeld. Mede op basis van deze stukken heeft de franchisenemer een ondernemingsplan opgesteld en ingediend bij de bank ter verkrijging van financiering, welke aanvraag door de bank wordt gehonoreerd. De verwachte omzet van de winkel blijft echter achter en vanwege tegenvallende resultaten beëindigd de franchisenemer vroegtijdig de exploitatie van zijn winkel.

Franchisenemer doet vestigingsplaatsonderzoek en stelt claim in:

Na deze beëindiging heeft de franchisenemer door een derde een vestigingsplaatsonderzoek laten verrichten naar de haalbaarheid van een rendabele exploitatie van zijn Top 1 Toys winkel ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met Otto Simon. Ook wordt de door Otto Simon verstrekte informatie onderzocht. Deze derde brengt rapport uit en concludeert dat er, uitgaande van de situatie in 2010, “(…) geen voldoende marktruimte is voor een Top 1 Toys speelgoedwinkel in Best, met een verkoopvloeroppervlak van 110 m2, op deze locatie en voorts dat er geen mogelijkheden/elementen zijn die voor een gezonde exploitatie van een Top 1 Toys vestiging in winkelcentrum Heivelden in Best kunnen zorgen.”. In haar bij het rapport behorende analyse geeft de derde onder meer aan dat Top 1 Toys bij haar marktruimteberekening uitgaat van een klantenbindingscijfer (=de mate waarin de inwoners van het betreffende postcodegebied hun bestedingen doen bij winkels die in datzelfde gebied gevestigd zijn) van 90%, terwijl het bindingspercentage in het betreffende gebied 52% is, aldus deze derde.

Op basis van de uitkomst van dit onderzoek stelt de franchisenemer Otto Simon aansprakelijk voor de geleden schade van ruim Euro 174.000 als gevolg van de verstrekte onjuiste omzet- en winstprognose en/of overige onjuiste gegevens.

Wat is het belang van het verstrekken van een exploitatieprognose?

De Hoge Raad heeft in eerdere uitspraken uitgemaakt dat indien een franchisegever een exploitatieprognose verstrekt voorafgaand aan het tot stand komen van een franchiseovereenkomst, op de franchisegever  een (bijzondere) zorgplicht komt te rusten. Voorop moet worden gesteld dat een franchisegever immers niet verplicht is prognoses te verstrekken aan potentiële franchisenemers. Het wordt doorgaans wel gedaan teneinde de franchisenemer te informeren en over de streep te trekken om in te stappen. Als je als franchisegever een exploitatieprognose verstrekt, dan dien je in te staan voor de juistheid daarvan.

De rechtbank maakt korte metten met de stelling van de franchisegever, dat sprake zou zijn geweest van een “taakstelling”, een informatieve schatting, aldus de franchisegever. De rechtbank oordeelt dat van Otto Simon als grote ervaren speler op de franchisemarkt, met de door haar verstrekte gegevens bij franchisenemer, als onervaren kandidaat-franchisenemer, de indruk is gewekt dat deze gegevens een haalbare omzet bevatten. De stukken zijn daarom wel degelijk te kwalificeren als een exploitatieprognose, ook al zijn ze niet zo bedoeld door de franchisegever.

Onjuiste prognose?

De rechtbank stelt vast dat een franchisegever onrechtmatig handelt als hij onjuiste gegevens over de exploitatie verstrekt en hij de franchisenemer niet op die fouten heeft gewezen. Het verstrekken van een onjuiste prognose wordt de franchisegever, gelet op de (bijzondere) zorgplicht, toegerekend. De franchisegever dient er volgens de rechtbank voor in te staan dat het cijfermateriaal berust op zorgvuldig en deugdelijk onderzoek. Nu de verstrekte cijfers onjuist zijn, leidt dit tot aansprakelijkheid van Otto Simon voor de ontstane schade aan de zijde van de franchisenemer.

Contractueel voldoende afgedicht?

De franchisegever had in de franchiseovereenkomst diverse beperkende bepalingen opgenomen:

”Contractant heeft door Otto Simon verstrekte informatie (waaronder onder andere marktverkenning, exploitatiebegroting en taakstellende omzetten) laten toetsen door deskundige derden. Contractant erkent dan ook dat Otto Simon niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de door haar verstrekte informatie en cijfermaterialen” 

“Ten aanzien van door Otto Simon verstrekte begrotingen is contractant ermee bekend dat Otto Simon slechts taakstellende begrotingen verstrekt die aangeven welke opbrengsten/kosten nagestreefd dienen te worden om tot een verantwoorde bedrijfsexploitatie te komen.” 

De rechtbank oordeelt dat deze bepalingen de franchisegever niet kunnen baten. De aansprakelijkheid van de franchisegever wordt niet weggenomen door beperkende contractbepalingen wanneer komt vast te staan dat er onjuiste cijfers zijn verstrekt en er dus onrechtmatig is gehandeld. Nu de franchisenemer zich bij zijn beslissing om in zee te gaan met Otto Simon heeft laten leiden door de verstrekte (onjuiste) informatie, is volgens de rechtbank het causaal verband tussen de onjuistheden in het rapport en de schade van franchisenemer, vast komen te staan. Franchisegever moet dan ook alle kosten en geleden schade die te maken hebben met het opbouwen van de winkel, alsmede liquidatie daarvan, en voorts alle overige schade, zoals inkomensschade, vergoeden.

Eigen schuld aan de zijde van de franchisenemer?

De rechtbank is van oordeel dat van de franchisenemer had mogen worden verwacht dat hij, voorafgaand aan (en niet eerst na) het sluiten van de overeenkomst en de exploitatie van de winkel, zelfstandig onderzoek had gedaan naar de haalbaarheid van de onderneming. Gelet op het ondernemersrisico mag een dergelijke opstelling ook worden verlangd en verwacht van een kandidaat-franchisenemer, aldus de rechtbank. Daartoe bestond des te meer aanleiding nu in het contract stond vermeld dat hij eigen onderzoek had gedaan. Op de franchisenemer rustte derhalve een verzwaarde onderzoeksplicht, aldus de rechtbank. De rechtbank neemt het de franchisenemer kwalijk dat hij geen vestigingsplaatsonderzoek heeft laten verrichten naar de haalbaarheid van een rendabele exploitatie van zijn Top 1 Toys winkel. Ook neemt de rechtbank heeft de franchisenemer kwalijk dat hij zijn ondernemingsplan niet heeft laten toetsen door Otto Simon. De franchisenemer is daarom gedeeltelijk schuldig aan zijn schade. De rechtbank stelt dan vast dat de verdeling op 2/3 voor Otto Simon valt en 1/3 voor de franchisenemer. Bij het bepalen van die verdeling heeft de rechtbank rekening gehouden met de ongelijkwaardigheid tussen Otto Simon (als deskundige ervaren franchisegever) en franchisenemer (als ondeskundige en onervaren kandidaat-franchisenemer).

Conclusie: Indien een exploitatieprognose is verstrekt, dan rust op de franchisegever een bijzondere zorgplicht. Indien de franchisegever een onjuiste exploitatieprognose verstrekt, wordt dit de franchisegever toegerekend en wordt hij hiermee schadeplichtig. Contractueel uitsluiten van aansprakelijkheid ontslaat de franchisegever dan niet van zijn schadeplicht. Er mag van de franchisegever worden verwacht dat hij kritisch omgaat met het verstrekken van concrete gegevens die relevant zijn om tot een realistische prognose te komen.

Van de (kandidaat)franchisenemer wordt daarentegen verwacht dat hij, voorafgaand aan (en niet eerst na) het sluiten van de overeenkomst en de exploitatie van de winkel, zelfstandig onderzoek doet naar de haalbaarheid van de onderneming. Op de franchisenemer rust een verzwaarde onderzoeksplicht. Indien de franchisenemer niet voldoet aan deze onderzoeksplicht dan is hij mede verantwoordelijk voor zijn schade en kan hij deze niet / niet geheel op de franchisegever afwentelen.  

Voldoet u aan uw zorgplicht jegens uw werknemers? De zorgplicht van de werkgever is meer dan het naleven van de Arbowetgeving, en leidt tot volledige aansprakelijkheid, ook als de omvang van de schade niet voorzienbaar is voor de werkgever.

 

Best_SolutionOp 2 april 2014 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant een uitspraak gedaan over de aansprakelijkheid van de werkgever voor schade van de werknemer ten gevolge van een bedrijfsongeval (ECLI:NL:RBZWB:2014:2163).

De casus:

Bij sloopwerkzaamheden met een mechanische breekhamer dringt een splinter van een tegel door de handschoen van de werknemer. Het gevolg hiervan is letsel in de vorm van een snijwond. Door wondinfectie ontstaat dystrofie die uiteindelijk het hele lichaam van de werknemer aantast. Hierdoor raakt de werknemer ernstig en blijvend invalide.

De vragen:

Heeft de werkgever de zorgplicht van artikel 7:658 BW geschonden door handschoenen ter beschikking te stellen met een snijbestendigheid van klasse 2 in plaats van klasse 3, ook als niet rechtstreeks uit de Arbowet voortvloeit dat de betere beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld moeten worden? Is de werkgever aansprakelijk voor de schade die voor hem niet voorzienbaar is?

Het antwoord op beide vragen:

Ja, de werkgever heeft hiermee zijn zorgplicht geschonden en is dientengevolge aansprakelijk voor de volledige schade, ook indien de schade (dystrofie door een snijwond) niet voorzienbaar was voor de werkgever.

De omvang van de zorgplicht:

De Hoge Raad heeft bij herhaling benadrukt dat indien de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Deze zorgplicht vloeit voort uit artikel 7:658 BW. Aan de zorgplicht van de werkgever worden hoge eisen gesteld mede omdat de werkgever bij uitstek in staat wordt geacht om risico’s op de werkplek te voorkomen of te beperken. Van een werkgever wordt geacht dat hij zodanige maatregelen treft ter bescherming van de werknemer als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van de opgedragen werkzaamheden schade lijdt.

De invulling van de zorgplicht in deze zaak:

De rechtbank oordeelt in deze zaak dat het voorzienbaar is dat bij de uitvoering van door de werkgever opgedragen sloopwerkzaamheden letsel ontstaat door wegschietende tegelsplinters die de handschoen perforeren of doorsnijden. De werkgever heeft in de procedure de voorzienbaarheid van mogelijk letsel niet bestreden. De werkzaamheden die de werknemer moet verrichten, zijn dus gevaarlijk.

Nu dit voorzienbare risico (letsel door splinters) zich heeft gerealiseerd en door werkgever aan werknemer, hoewel in de handel, geen handschoenen ter beschikking zijn gesteld die een betere bescherming tegen perforatie of doorsnijden bieden, heeft werkgever niet de maatregelen genomen ter bescherming van werknemer die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat werknemer schade lijdt.

De werkgever heeft zijn zorgplicht jegens de werknemer geschonden, en is dus in beginsel aansprakelijk voor de door de werknemer ten gevolge van het bedrijfsongeval geleden schade.

Het naleven van de Arbowetgeving is onvoldoende

De werkgever heeft zich in deze zaak o.a. verweerd door te stellen dat hij de Arbowetgeving heeft nageleefd en dat hem daarom geen verwijt trof. De rechtbank heeft in lijn met eerdere uitspraken (Hof Leeuwarden 14 mei 2009, LJN BD 2312) dit verweer ter zijde geschoven. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van schending van de zorgplicht van artikel 7:658 BW indien er geen beschermingsmiddelen ter beschikking zijn gesteld waarmee het risico op letsel door snijwonden wordt verkleind, ook al volgt uit de Arbowet niet rechtstreeks dat deze betere beschermingsmiddelen (in dit geval handschoenen met snijbestendigheidsklasse 3) ter beschikking gesteld moeten worden. Met andere woorden: de zorgplicht is groter dan het naleven van de Arbowetgeving.

Handschoenen hadden letsel niet voorkomen, aldus tevergeefs de werkgever

De werkgever stelde verder dat de snijwond ook zou zijn opgelopen als hij de werknemer de bewuste (betere) klasse 3 handschoenen wel ter beschikking zou hebben gesteld. De werkgever trachtte hiermee aan te tonen, dat hij met de allerbeste veiligheidsmateriaal de schade niet had kunnen voorkomen. De rechtbank gaat hier niet in mee, en oordeelt dat het argument dat betere handschoenen geen volledige bescherming zouden hebben geboden, niet doorslaggevend is. De rechtbank oordeelt dat ook al zijn er geen handschoenen die volledige bescherming bieden, er wel handschoenen in de handel waren die een betere bescherming boden waardoor de kans dat het gevaar zich zou realiseren kleiner is. De rechtbank oordeelt dat handschoenen met de snijbestendigheid klasse 3 mogelijk verhinderd hadden dat het gevaar zich daadwerkelijk realiseerde. Weliswaar staat niet vast dat het gevaar zich niet had gerealiseerd, aldus de rechtbank, maar voor het aannemen van de aansprakelijkheid voor het voor de werknemer onbekende gevaar is voldoende dat de werkgever heeft verzuimd handschoenen ter beschikking te stellen die de kans verkleinden dat het gevaar zich zou realiseren.

Is de werkgever in dit geval voor alle schade aansprakelijk?

Ja. Wanneer het gevaar van snijwonden voorzienbaar is, verzuim je als werkgever in de nakoming van de zorgplicht door aan de werknemer geen handschoenen ter beschikking te stellen die een betere bescherming tegen doorsnijden of perforatie bieden. Gelet hierop is de werkgever aansprakelijk voor de gezondheidsschade, ook als deze onvoorzien is, omdat dat verzuim van de werkgever ertoe heeft bijgedragen dat het onbekende gevaar (in dit geval de uitzonderlijke en ernstige gevolgen van dystrofie) gezondheidsschade bij de werknemer heeft veroorzaakt.

 

Heeft u vragen? Belt of mailt u dan : 0183- 513 745 / info@lexwoodlegal.nl