Algemene voorwaarden in het internationaal zaken doen: Wanneer zijn deze onderdeel van de koopovereenkomst?

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2019:2804

Recentelijk stond ik een Grieks bedrijf bij in een internationale handelszaak. Er is geprocedeerd en de zaak is succesvol afgerond. De inzet was het ongedaan maken van een koopovereenkomst en het terugvorderen van de koopprijs. Hierbij was juridisch van belang of het Weens Koopverdrag van toepassing was, dan wel of de werking hiervan door de verkoper was uitgesloten in zijn algemene voorwaarden.

Juridisch was dit van belang omdat de koper, mijn client, dan gemakkelijk(er) zou kunnen ontbinden. De uitkomst van de zaak hing daarom voor een groot deel af van de vraag of de verkoper zijn algemene voorwaarden op juiste wijze van toepassing had verklaard. De toepasselijkheid van algemene voorwaarden bij een internationale koopovereenkomst wordt bepaald door het Weens Koopverdrag. Hier is dat ongunstig afgelopen voor de verkoper. Wat was er aan de hand?

De feiten

Een in het buitenland gevestigde koper kocht van een Nederlands autobedrijf een tweedehands truck. Bij de grens aangekomen werd de truck door de douane in beslag genomen: De koper moest de wagen direct afgeven omdat deze als gestolen stond geregistreerd in het zog. SIS (Schengen Informatiesysteem). De koper was de truck kwijt en moest zich verantwoorden bij de dienstdoende Officier van Justitie.

Ontbinding van de koop mogelijk?

De koper wendt zich dan tot de verkoper en vordert de koopprijs terug. De verkoper weigerde dit. De verkoper stelde dat op grond van het Nederlands recht sprake was van een gave koopovereenkomst en dat zijn eventuele beschikkingsonbevoegdheid gerepareerd werd door de uitzondering genoemd in artikel 3:86 BW: De verkoper had zelf een redelijke prijs betaald én hij zou te goeder trouw zijn geweest op het moment dat hij de truck kocht. Van een toerekenbare tekortkoming was volgens de verkoper geen sprake.

De koper nam hiermee geen genoegen en startte een gerechtelijke procedure. In deze procedure stelde de koper zich op het standpunt dat het Weens Koopverdrag van toepassing was. Op grond van artikel 49 lid 1 Weens Koopverdrag is ontbinding van een koop mogelijk wanneer sprake is van een wezenlijke tekortkoming. Op grond van artikel 25 Weens Koopverdrag is een tekorkoming wezenlijk waneer 1) de schade zodanig is dat de koper op aanmerkelijke wijze wordt onthouden wat hij uit de koop mag verwachten en 2) moeten deze gevolgen voor de verkoper redelijkerwijs voorzienbaar zijn.

Hieraan was voldaan omdat de koper niet over de truck kon beschikken vanwege de inbeslagname én omdat de verkoper wist dat de truck bedoeld was voor export naar het buitenland waarmee de inbeslagname vanwege de SIS melding voorzienbaar was.

Anders dan in het Nederlandse recht is het reparerende element “goede trouw” in het Weens Koopverdrag dus niet relevant. Het speelt geen rol in het bepalen of een tekortkoming “wezenlijk” is.

De verkoper stelde zich in de procedure op het standpunt dat het Weens Koopverdrag niet van toepassing zou zijn omdat de werking hiervan was uitgesloten in zijn algemene voorwaarden. De koper stelde dat deze voorwaarden geen onderdeel van de koopovereenkomst waren en kreeg gelijk.

Criteria toepasselijkheid algemene voorwaarden bij een internationale koop

Artikel 8 Weens Koopverdrag bepaalt dat de algemene voorwaarden van de verkoper alleen deel zijn van een koopovereenkomst wanneer 1) partijen dit tijdens of voorafgaand aan de koop, uitdrukkelijk of stilzwijgend, zijn overeengekomen én 2) de koper een redelijke mogelijkheid heeft gehad om hiervan kennis te nemen. Praktisch gezien betekent dit dat een verwijzing naar de algemene voorwaarden tijdig, helder en begrijpelijk moet zijn voor de koper.

De verkoper had hier weliswaar tijdig zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard, echter de verwijzing was in de Nederlandse taal gesteld. Met de koper was echter in het Engels gecommuniceerd en het stond vast dat de koper de Nederlandse taal niet machtig was. Hierdoor heeft deze koper geen redelijke mogelijkheid gehad om kennis te nemen van de algemene voorwaarden van verkoper en de daarin opgenomen beperkingen. De algemene voorwaarden van verkoper (en alle daarin voor verkoper gunstige bepalingen) waren hiermee van tafel, waaronder dus ook de uitsluiting van het Weens Koopverdrag. De zaak is daarmee inhoudelijk beslecht op basis van door het Weens Koopverdrag.

Het belang van algemene voorwaarden bij het internationaal zaken doen

Het Weens Koopverdrag is onderdeel van het Nederlandse recht en geldt automatisch op een internationale (ver)koop van roerende zaken. Het bevat bepalingen die op onderdelen in belangrijke mate afwijken van het Nederlandse recht. Advocaten plegen de werking van het Weens Koopverdrag in algemene voorwaarden daarom ook uit te sluiten.

Wanneer de algemene voorwaarden echter geen onderdeel zijn van de koop, dan haalt de verkoper het Weens Koopverdrag gewoon weer in huis, én zijn ook alle bepalingen die in het voordeel van de verkoper zijn geschreven (bijv. beperkingen op garanties, beperkingen in de aansprakelijkheid etc.) niet van toepassing.

Het op juiste wijze gebruik maken van algemene voorwaarden in het internationaal zaken doen kan het verschil maken tussen een toewijzend of een afwijzend vonnis. De zaak loopt hier voor de verkoper zuur af: Hij heeft zelf voor de truck moeten betalen, hij moet de koopprijs aan de koper terug betalen en krijgt naar verwachting geen beschikking over de inbeslaggenomen truck.

Heeft u vragen? Belt u mij gerust op 0183-513 745 of 06-46041414

Achteraf je algemene voorwaarden van toepassing verklaren en je aansprakelijkheid beperken?

contracten

Op 9 oktober 2015 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de vraag of een aansprakelijkheidsbeperking (exoneratie) tussen partijen op geldige wijze was overeengekomen (vindplaats: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:3013). Er was sprake van een mondelinge koopovereenkomst (telefonische bestelling) waarbij koper ten tijde van de levering een afleverbon tekent voor ontvangst van de goederen. Op de afleverbon staat een voorgedrukte exoneratie met daarop een verwijzing naar de algemene voorwaarden van de verkoper. Is dit onderdeel van de overeenkomst tussen partijen?

De achtergrond: Jarenlange zakelijke relatie op basis van vast patroon
MeeGaa heeft in de periode 2006 tot 2009 op regelmatige basis potgrondproducten geleverd aan X. De bestelling geschiedde telefonisch en werd vervolgens door MeeGaa bij X afgeleverd door storting in de voorraadbunker van X . Bij de aflevering namen zowel X als MeeGaa doorgaans een monster van de geleverde grond. In veel gevallen werd door X een afleverbon “voor ontvangst” getekend. Beide partijen behielden een exemplaar van de afleverbon.

De beperking van aansprakelijkheid op de afleverbon en de algemene voorwaarden
De afleverbon vermeldt: “De aansprakelijkheid van de verkoper voor de kwaliteit van de verkochte goederen blijft onder alle omstandigheden beperkt tot ten hoogste het netto in rekening gebrachte factuurbedrag. (…) Op al onze aanbiedingen, leveranties en werkzaamheden zijn van toepassing de Algemene verkoopvoorwaarden van Potgrondfabrikanten, welke voorwaarden zijn gedeponeerd bij de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage onder nummer 25/2007.”

De claim: Schimmels en paddenstoelen in de potgrond
In augustus 2008 klaagt X mondeling bij MeeGaa over de kwaliteit van geleverde potgrond in juli 2008. De levering uit juli zou problematisch zijn omdat er schimmels en paddenstoelen werden geconstateerd. Het netto factuurbedrag van de problematische levering bedroeg nog geen Euro 4.000,-.
Op zichzelf dus geen ramp, ware het niet dat de kweker de beschimmelde potgrond van MeeGaa (met paddenstoel en al) in de bunker had laten zitten en hier overheen (steeds) nieuwe potgrond had laten storten. X bleek vervolgens dat de gehele voorraad potgrond waterafstotend was geworden als gevolg waarvan X grote schade had geleden. X stelde MeeGaa aansprakelijk, en de schade werd begroot op € 1.800.000,-.

Tot de Hoge Raad en terug
De rechtbank vond het beroep van MeeGaa op de exoneratieclausule (de maximering aansprakelijkheid tot factuurbedrag) gegrond. De rechtbank haalde de heersende leer aan: De hoofdregel is namelijk dat nagekomen verwijzingen naar exoneraties en algemene voorwaarden niet geldig zijn. Hierop is een uitzondering mogelijk, namelijk: TENZIJ de koper het gerechtvaardigd vertrouwen wekt dat hij met deze nagekomen verwijzing akkoord is. En daarvan besluit de rechtbank kan sprake zijn in langlopende leveranciersrelaties. Als je dan als koper niet piept, wek je het vertrouwen dat je akkoord bent met de beperking van aansprakelijkheid en toepasselijkheid van algemene voorwaarden.

De rechtbank vond een beroep op de exoneratie verder ook niet onredelijk, nu deze in de branche van potgrondfabrikanten gebruikelijk was en ook in de algemene voorwaarden van andere potgrondfabrikanten was opgenomen. Nu X een professionele tuinder is, vond de rechtbank de beperking van aansprakelijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Het Hof zag het anders en oordeelde dat MeeGaa de overeenkomt niet achteraf mocht wijzigen en motiveerde niet waarom hier niet sprake zou zijn van de uitzondering op de (hoofd)regel.

De Hoge Raad zet dat recht en het Hof wordt teruggefloten. Het Hof had moeten uitleggen waarom “de bestendige vermelding van de exoneratie op de afleverbonnen van een groot aantal eerdere leveranties van potgrond, waartegen door X niet is geprotesteerd, niet kan volgen dat het vertrouwen is gewekt bij MeeGaa dat X als professionele tuinder dit beding accepteerde bij opvolgende leveringen na de betreffende telefonische bestellingen.”

Conclusie: Van belang is dat de algemene voorwaarden voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst van toepassing worden verklaard. En dus niet erna. Want dat geeft gedoe. Tot en met de Hoge Raad én terug. Het kan namelijk nog steeds zo zijn dat MeeGaa in de zaak alsnog (mega) onderuit gaat, omdat volgens de stukken er (steeds) een grote sticker zou hebben gezeten op de plaats van de tekst van de exoneratie en verwijzing naar algemene voorwaarden op de afleverbonnen. X zegt daarmee dat die verwijzing helemaal niet leesbaar zou zijn geweest en daar moet dus nu nog op worden geoordeeld (ruim 7 jaren na levering). Van groot belang (juist vanwege de enorme gevolgen) is daarom dat algemene voorwaarden tijdig ter hand worden gesteld: vooraf, niet achteraf. Nagekomen verwijzingen zijn dus te laat. Als de koop telefonisch wordt gesloten, stuur de algemene voorwaarden dan direct mee in een bevestigingsmail. Gebeurt dat niet, dan moet bewezen worden dat sprake is van de uitzondering op de hoofdregel (opgewekt vertrouwen) – en dat is geen garantie op een goede afloop.

Heeft u vragen?  Belt of mailt u dan gerust 0183 513745 / Theodora@lexwoodlegal.nl

Zoete broodjes bakken door Subway afgestraft: Franchisenemers mogen niet gedwongen worden te arbitreren in New York

contractenOp 3 juni 2014 heeft het Gerechtshof in Amsterdam bepaald dat het arbitraal beding in de algemene voorwaarden van Subway nietig is. Een dure en gekunstelde manier van geschilbeslechting opleggen in de franchiseovereenkomst – naar vreemd recht en in het buitenland – is onredelijk bezwarend voor de franchisenemer en niet toegestaan. Mede vanwege de door minister Kamp op 25 juni 2014 aangekondigde acties is dit aanleiding bij het onderwerp stil te staan en de nieuwe ontwikkelingen te bespreken (vindplaats ECLI:NL:GHAMS:2014:2270).

Franchiseovereenkomst

Subway heeft in haar franchiseovereenkomsten een bijzondere wijze van geschilbeslechting opgenomen. Aan de franchiseovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden van Subway gehecht en daarin staat kennelijk dat het recht van Liechtenstein van toepassing is. Indien er een geschil ontstaat tussen de franchisenemer en Subway dient de franchisenemer als gevolg daarvan een arbitrage aanhangig te maken in New York, in het Engels en volgens de regels van het UNCITRAL. Een dure aangelegenheid.

Nederlandse rechtbank bevoegd

De Subway franchisenemer te Enschede brengt een geschil voor de rechtbank te Amsterdam. Subway stelt dan dat de rechter in Nederland niet bevoegd is en dat de zaak in arbitrage in New York moeten worden beslecht. De franchisenemer stelt dat de in de algemene voorwaarden opgenomen wijze van geschilbeslechting nietig is omdat de bepaling onredelijk bezwarend zou zijn, ook volgens het recht van Liechtenstein. De rechtbank geeft de franchisenemer ongelijk, waarna hij hoger beroep instelt en de vraag nogmaals aan het Hof voorlegt.

Arbitrageclausule ongeldig?

Het Hof stelt direct vast dat het opmerkelijk is dat gekozen is voor het recht van Liechtenstein, terwijl de overeenkomst tussen partijen geen enkele relatie heeft met Liechtenstein. Vanuit het gezichtspunt van de franchisenemer is deze keuze volgens het Hof een complicerende en kostenverhogende omstandigheid.

Het Hof toetst het arbitrale beding aan artikel 879 van het burgerlijk wetboek van Liechtenstein dat bepaalt dat een bepaling nietig is wanneer deze bepaling voor een van de contractspartijen een “aanzienlijke onevenwichtigheid” met zich meebrengt. Het artikel luidt:

“3) Eine in vorformulierten Geschäftsbedingungen enthaltene Klausel, die nicht eine der beiderseitigen Hauptleistungen festlegt, ist jedenfalls nichtig, wenn sie, unter Berücksichtigung aller Umstände des Falles, zum Nachteil eines Vertragsteils ein erhebliches Missverhältnis der vertraglichen Rechte und Pflichten verursacht.”

Aanzienlijke onevenwichtigheid?

Het Hof stelt voorop dat in de verhouding franchisenemer  – Subway, de franchisenemer als de economisch zwakkere partij heeft te gelden. De franchisenemer in deze zaak is een kleine startende ondernemer, die als franchisenemer van Subway een onderneming heeft gedreven; Subway is een multinational die, zoals zij zelf stelt, wereldwijd meer vestigingen heeft dan McDonald’s, aldus het Hof. De financiële middelen, de deskundigheid en economische kracht en macht van Subway gaan die van de franchisenemer verre te boven.

De franchisenemer zou, ook indien hij zonder juridische bijstand zijn zaak zou bepleiten, naar de Verenigde Staten moeten reizen om zijn zaak te kunnen verdedigen. Dit vormt volgens het Hof een aanzienlijke belasting in termen van geld, tijd en energie, nog ongeacht of de franchisenemer zoals hij (heel aandoenlijk) aanvoert, lijdt onder vliegangst.

Subway probeert tevergeefs het arbitrale beding te bagatelliseren door aan te geven dat Subway vaak afziet van een zitting en dat zij ook zou instemmen met een conference call. Het Hof maakt korte metten met deze stelling. Op grond van artikel 6 EVRM heeft de franchisenemer een recht om zijn zaak mondeling te bepleiten, en wordt dat recht min of meer illusoir gemaakt. Een conference call kan volgens het Hof niet gelijk worden gesteld met een mondelinge zitting. Gelet op het feit dat de franchisenemer zijn broodjeszaak exploiteert in Nederland (Enschede) en Subway een in Nederland gevestigde vennootschap is, is er ook geen toereikende rechtvaardiging voor een behandeling van het geschil tussen partijen in de Verenigde Staten, aldus het Hof. Dat in de Verenigde Staten moet worden geprocedeerd, is slechts in het voordeel van Subway, nu haar moederbedrijf daar gevestigd is.

Ook de omstandigheid dat de arbitrale procedure in de Engelse taal zou moeten worden gevoerd, draagt volgens het Hof bij aan de onevenredigheid die het beding meebrengt. De franchisenemer kan daardoor immers niet in het Nederlands, zijn moedertaal, procederen. Dat franchisenemer veelvuldig in het Engels heeft gecommuniceerd met Subway en anderen maakt dit volgens het Hof niet anders, nu het communiceren met een handelspartij als Subway niet gelijk kan worden gesteld aan het communiceren ten overstaan van een scheidsgerecht; daarvoor is kennis van juridische begrippen en uitdrukkingen in de Engelse taal nodig. Franchisenemer zou zich in de arbitrale procedure naar alle waarschijnlijkheid dan ook moeten laten bijstaan door een tolk, vervolgt het Hof, en zo eveneens aanzienlijke kosten moeten maken. Subway stelt weliswaar dat zij ‘in specifieke gevallen’ de kosten van een tolk voor haar rekening neemt, maar het Hof constateert dat Subway niet heeft aangeboden de kosten van een tolk voor de franchisenemer te dragen, zodat aan genoemde stelling geen betekenis toekomt, aldus het Hof.

De stelling van Subway dat deze wijze van geschilbeslechting goedkoper zou zijn voor de franchisenemer wordt door het hof (terecht) als onaannemelijk afgedaan.

Arbitrageclausule nietig

Het Hof concludeert dat de arbitrale overeenkomst een ‘erhebliches Missverhältnis der vertraglichen Rechte und Pflichten’ veroorzaakt en daarom naar het recht van Liechtenstein ongeldig is. Dat de franchisenemer in de vragenlijst van Subway heeft aangegeven het beding te begrijpen, is in dat verband irrelevant, aldus het Hof. Een poging van Subway om zich “in te dekken” tegen een mogelijk toekomstig verweer die mislukt.

 Meest recente ontwikkelingen op het gebied van franchise

Franchisewetgeving bestaat niet.  Minister Kamp heeft op 25 juni 2014 in een debat in de tweede kamer gemeld dat er ook geen speciale wetgeving gaat komen. Wel gaat de Nederlandse “Erecode” worden aangescherpt, zal er een onafhankelijke geschillencommissie in het leven worden geroepen waaraan geschillen moeten worden voorgelegd, en zal er daarin een omkering van de bewijslast gelden voor de franchisegever aldus de Minister (http://debatgemist.tweedekamer.nl/debatten/problemen-van-franchise-ondernemers). De ontwikkelingen die worden geschetst in het debat zijn voor de praktijk belangrijk en franchisegevers en – nemers dienen mijn inziens te anticiperen daarop in contractsonderhandelingen. Ingewikkelde en niet-gebalanceerde  franchiseovereenkomsten – niet alleen daar waar het de geschillenbeslechting betreft – zijn immers niet zonder meer waterdicht.

Vragen hierover? Belt of mailt u gerust op 0183-513745  /  theodora@lexwoodlegal.nl

 

Ondanks de Ex Works levering toch het vervoer laten regelen door de verkoper? U loopt dan als koper/eigenaar het risico dat de expediteur een pand- en retentierecht kan inroepen op uw goederen vanwege een schuld van de verkoper.

slide2Op 28 mei 2014 deed de rechtbank Noord-Holland een interessante uitspraak in een internationale koop waarin de levering van de goederen tussen verkoper en koper plaatsvond op basis van de Incoterm Ex Works. De rechtbank oordeelde dat ondanks de beschikkingsonbevoegdheid van de verkoper, en het feit dat de eigendom van de goederen al naar de koper was overgegaan, de goederen rechtsgeldig waren bezwaard met een pandrecht en een retentierecht door de verkoper. Indien de expediteur te goeder trouw is, kan hij namelijk de bescherming van artikel 3:238 BW inroepen en ingevolge de toepasselijke Fenex voorwaarden een pandrecht claimen dat zich dan ook uitstrekt over voorgaande vorderingen van de expediteur op de verkoper (uitspraak: ECLI:NL:RBNHO:2014:5554).

De feiten omtrent levering; Ex works Incoterms + vervoer

CZT ltd. is een in China gevestigde vennootschap. Eind 2012 koopt CZT van TurboNed Services BV (TN) diverse goederen met een koopprijs van ruim een ton Euro’s. CZT en TN spreken af dat de koopprijs zal worden betaald door middel van verrekening met een openstaande vordering van CZT op TN. Partijen spreken af dat de levering volgens de Incoterms Ex Works zal plaatsvinden. Anders dan gebruikelijk bij een Ex Works levering spreken partijen daarbij af dat TN voor CZT ook het vervoer zal regelen; de opdrachtbevestiging vermeldt daarom bij delivery adress niet het adres van TN te Zwijndrecht, maar het adres van CZT te China.

Vervoersovereenkomst Fenex voorwaarden

Op 23 november 2012 heeft TN met BestGlobal Logistics (BGL) een vervoersovereenkomst gesloten voor het vervoer van de producten vanaf TN te Zwijndrecht naar China, Changzhou. Op 26 november 2012 zijn de producten bij TN opgehaald door BGL. Op 5 december 2012 is het schip met de producten uitgevaren. BGL heeft voor het vervoer op 6 december 2012 een factuur van EUR 349,51 aan TN gezonden. Op de factuur wordt melding gemaakt van de toepasselijkheid van de FENEX voorwaarden tussen TN en BGL.

Verkoper gaat failliet; expediteur weigert afgifte goederen

Op 11 december 2012, terwijl het schip met de producten onderweg is naar China, wordt het faillissement van TN uitgesproken. BGL had ten tijde van het uitspreken van het faillissement van TN op TN op grond van eerdere vervoersovereenkomsten een vordering van in totaal EUR 85.943,41. In januari 2013 is het schip met de producten aangekomen in Shanghai. BGL geeft de producten niet af aan CZT en beroept zich jegens CZT op een pandrecht en een retentierecht dat voortvloeit uit artikel 19 FENEX voorwaarden. CZT betwist dat BGL een pandrecht kan uitoefenen op de goederen, omdat de goederen ex works zijn geleverd, de goederen daarmee direct eigendom van CZT zijn geworden, en TN daarom geen rechtgeldig pandrecht kan verlenen op goederen die op dat moment al niet van haar zijn. BGL weigert de afgifte en CZT wendt zich dan tot de rechter.

Artikel 19 FENEX voorwaarden

In de FENEX voorwaarden staat in artikel 19 onder meer het volgende:

“1. De expediteur heeft jegens een ieder, die daarvan afgifte verlangt, een pandrecht en een retentierecht op alle zaken, documenten en gelden die de expediteur uit welke hoofde en met welke bestemming ook onder zich heeft of zal krijgen, voor alle vorderingen die hij ten laste van de opdrachtgever en of eigenaar heeft of mocht krijgen. Bij doorzending van de zaken is de expediteur gerechtigd het verschuldigde bedrag daarop na te nemen of daarvoor een wissel te trekken met aangehechte verladingsdocumenten.

2. De expediteur kan de hem in lid 1 toegekende rechten eveneens uitoefenen voor hetgeen hem door de opdrachtgever nog verschuldigd is in verband met voorgaande opdrachten. (…)”

Wanneer wordt pandrecht gevestigd?

Ingevolge artikel 3:84 en artikel 3:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voor het vestigen van een pandrecht vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die beschikkingsbevoegd is. Op grond van artikel 3:236 wordt het pandrecht vervolgens gevestigd door de zaak in de macht van de pandhouder te brengen.

Fenex-voorwaarden leveren geldige titel op voor pandrecht op huidige en voorgaande opdrachten

In artikel 19 van de FENEX-voorwaarden bij de overeenkomst tussen TN en BGL is bepaald dat TN ten gunste van BGL een pandrecht zal vestigen op alle zaken die BGL onder zich heeft voor alle vorderingen die zij ten laste van TN heeft, ook voor het hetgeen hem door de opdrachtgever nog verschuldigd is in verband met voorgaande opdrachten. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling een geldige titel oplevert voor het vestigen van het pandrecht tot het bedrag van EUR 85.943,41 (zijnde het totale bedrag dat TN BGL ten tijde van het sluiten van de vervoersovereenkomst nog verschuldigd was in verband met voorgaande opdrachten).

TN is niet beschikkingsbevoegdheid vanwege EX works levering

De rechtbank is met CZT eens dat de beschikkingsbevoegdheid aan de zijde van TN ontbreekt. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat op het moment dat de overeenkomst is gesloten (op 22 november 2012) de producten bij wederzijdse verklaring aan CZT zijn geleverd. De eigendom van de producten is vanwege de Ex Works levering op dat moment van TN op CZT overgegaan. Derhalve was TN ten tijde van het vestigen van het pandrecht op 26 november 2012 (het moment dat de producten in de macht van BGL zijn gebracht) ten aanzien van de producten niet beschikkingsbevoegd.

Expediteur beschermt tegen beschikkingsonbevoegdheid pandgever

BGL heeft gesteld dat haar – indien TN niet beschikkingsbevoegd zou zijn – desalniettemin bescherming toekomt op grond van artikel 3:238 BW. Ingevolge artikel 3:238 BW is de vestiging van een pandrecht op een zaak ondanks onbevoegdheid van de pandgever geldig, indien de pandhouder te goeder trouw is op het tijdstip waarop de zaak in zijn macht is gebracht.

De rechtbank geeft als maatstaf dat de goede trouw ontbreekt indien het feit of het recht waarop zij betrekking moet hebben (de beschikkingsonbevoegdheid van TN), hetzij aan BGL bekend was, hetzij aan haar bekend had behoren te zijn. Een en ander sluit een onderzoekplicht in, aldus de rechtbank, waarbij bovendien, ingevolge vaste rechtspraak, geldt dat onmogelijkheid van onderzoek niet belet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de werkelijke situatie had behoren te kennen.

BGL te goeder trouw; geen aanleiding tot onderzoek door de expediteur; risico’s Ex Works+vervoer

De rechtbank stelt dan (als onvoldoende bestreden) dat vaststaat dat BGL niet wist dat TN beschikkingsonbevoegd was. De rechtbank stelt ook vast dat hoewel BGL een professionele expediteur is, die bekend kan worden geacht met de in de handel gebruikte Incoterms, BGL niet van de ex works incoterm kon weten, nu op geen van de door haar ontvangen documenten (te weten de ‘Packing List’ en de ‘Proforma Invoice’), melding werd gemaakt van de leveringsvoorwaarde ‘Ex works’.

Volgens BGL en conform de instructies van TN zou de levering op basis van CFR (cost and freight) plaatsvinden. Volgens de rechtbank was het voor BGL niet duidelijk dat TN het vervoer namens CZT regelde, ondanks het verzoek om een prijsopgave namens CZT. NT is immers zelf de vervoersovereenkomst aangegaan. Bij deze gang van zaken had BGL naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding te vermoeden dat ‘Ex works’ geleverd was, noch dat TN anderszins niet beschikkingsbevoegd was. BGL kan de bescherming van artikel 3:238 BW inroepen.

Wanverhouding pandrecht en bedrag vervoersovereenkomst creëert geen onderzoeksplicht expediteur

Hoewel het gewicht van de verrichte handeling, te weten een pandrecht voor EUR 85.943,41 tegen de achtergrond van het kleine belang bij de vervoersovereenkomst, zijnde EUR 349,51 zeer zwaar is, is de rechtbank van oordeel dat daaraan in onderhavige zaak geen doorslaggevende betekenis toekomt. Bij gebrek aan een goede reden voor twijfel aan de beschikkingsbevoegdheid van TN is de enkele wanverhouding tussen het pandrecht en het bij de vervoersovereenkomst gemoeide bedrag namelijk onvoldoende om van BGL te verwachten dat zij nader onderzoek zou instellen. Die wanverhouding gold immers alleen ten opzichte van CTZ en niet ten opzichte van BGL’s opdrachtgever TN, op wie zij een aanzienlijke vordering had. Dat dergelijk onderzoek niet veel om handen hoeft te hebben, zoals CZT heeft gesteld, doet daar niet aan af volgens de rechtbank, nu een aanleiding voor zo’n onderzoek niet bestond.

Geen ruimte voor een beroep op de redelijkheid en billijkheid; “eigen schuld” voor koper

De rechtbank wijst een beroep op de redelijkheid en billijkheid door CZT af. In goederenrechtelijke verhoudingen is hiervoor volgens de rechtbank geen ruimte. Volgens de rechtbank prevaleert het belang van het vlotte handelsverkeer in de onderhavige zaak boven het belang van CZT en dient de rechtbank abstract te toetsen. De rechtbank overweegt : “Daarbij is van groot belang dat de levering ‘Ex works’ in de Incoterms wordt aangeduid als de levering die ‘de minimale verplichting voor de verkoper’ behelst en waarbij ‘alle kosten en risico’s’ na levering voor de koper zijn. De omstandigheid dat zich vervolgens een risico verwezenlijkt, te weten dat door een beschikkingsonbevoegde een pandrecht op de producten is gevestigd, is een risico dat – hoewel ongetwijfeld niet door CZT voorzien – met de keuze voor levering ‘Ex works’ door CZT aanvaard is. Bovendien had CTZ, nu zij sinds 22 november 2012 eigenaar van de producten was, dit risico kunnen vermijden door zelf het vervoer van haar producten te organiseren.” Met andere woorden: kies je als verkoper voor Ex Works, en laat je dan de verkoper toch het vervoer regelen, dan loop je het risico dat de verkoper hoewel beschikkingsonbevoegd wel rechtsgeldig een pandrecht vestigt.

Conclusie: Indien u contracteert op basis van Ex Works, en u daarna als koper aan de verkoper vraagt het vervoer te regelen, loopt u het risico dat door de verkoper op uw goederen een pandrecht wordt gevestigd voor een schuld van de verkoper. Die schuld mag de expediteur mits hij te goeder trouw is, dan op grond van de Fenex voorwaarden jegens u als koper uitoefenen, en hierbij mogen alle voorgaande vervoersovereenkomsten (en schulden) worden betrokken. U bent dan eigenaar van goederen die bezwaard zijn met een pandrecht voor een schuld van de verkoper.

 

MKB-ondernemers opgelet: De Hoge Raad heeft op 21 maart 2014 (zaak Coface Finanz/Intergamma) geoordeeld dat een cessieverbod een vordering niet langer onoverdraagbaar maakt. Wat betekent dit voor u als MKB ondernemer?

bekijken contract

Wat is een cessie- of verpandingsverbod

In algemene (inkoop)voorwaarden zitten vaak clausules die de overdracht of verpanding van een vordering verbieden. Dit zijn de zogeheten cessie- of verpandingsverboden.

Deze bepalingen zien er als volgt uit:

“Het is de onderaannemer verboden zijn vorderingen aan een derde te cederen/verpanden/in eigendom over te dragen.”

“Zonder toestemming zal verkoper zijn rechten en verplichtingen noch geheel noch gedeeltelijk aan derden overdragen.”

“De vervoerder kan rechten en/of verplichtingen slechts met voorafgaande schriftelijke toestemming overdragen aan derden.”

“Cessie van de vordering is niet toegestaan.”

“De schuldeiser is niet bevoegd de vordering te cederen.”

“De schuldeiser verplicht zich de vordering niet aan een derde over te dragen.

Wat hadden deze clausules tot gevolg?

Op basis van de Oryx/Van Eesteren uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2003 werden deze clausules zodanig uitgelegd dat een vordering inderdaad niet verpand of overgedragen kon worden. Deze clausules hielden dit tegen, en een vordering werd als gevolg van deze clausules onoverdraagbaar. Dat betekende dat een handeling in strijd met zo’n beding niet kon leiden tot een geldige overdracht of tot een geldige verpanding van de vordering. Met andere woorden: als er toch werd overgedragen, dan was die overdracht ongeldig, want de clausule had goederenrechtelijk effect.

De gevolgen voor MKB bedrijven van cessie- en verpandingsverboden

MKB ondernemingen zijn voor hun financiering vaak afhankelijk van de waarde van (o.a.) hun debiteurenportefeuille. Verscholen bedingen in de (inkoop)voorwaarden van klanten die de overdraagbaarheid van een vordering uitsluiten, zijn voor de MKB ondernemer nadelig. Als u uw vorderingen niet mag overdragen, dan wordt u belemmerd in het liquide maken daarvan, hetgeen de financiering van uw onderneming bemoeilijkt. Omdat financiers geen diepgaand en herhaald onderzoek doen naar de portefeuilles en het bestaan van deze clausules, wordt het risico over de exacte hoogte van de portefeuille  “ingecalculeerd”, met andere woorden bij u neergelegd, en leidt dit tot een hogere rente voor uw krediet.

Als u schuldenaar bent, kunt u om diverse redenen wel belang hebben bij een dergelijk cessieverbod. Een van die redenen is dat u wilt voorkomen dat een langdurige handelsrelatie met uw schuldeiser eindigt en daarmee bijvoorbeeld ook de gepaard gaande coulance en flexibiliteit aan de zijde van die schuldeiser. Doorgaans is de nieuwe crediteur (factoring/financieringsmaatschappij) niet zo flexibel en u heeft dan ook baat bij het verbieden van de “crediteurenwissel”. Ook kunnen door de overdracht mogelijkheden tot verrekening en andere verweermiddelen van u als schuldenaar door de cessie verloren gaan. Tot slot kan er onduidelijkheid ontstaan over de vraag aan wie u bevrijdend kunt voldoen.

Hoge Raad 21 maart 2014 Coface Finanz/Intergamma zaak: deze clausules hebben niet langer goederenrechtelijk effect

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 21 maart 2014 in de zaak Coface Finanz/Intergamma bepaald dat deze clausules voortaan zodanig moeten worden uitgelegd dat partijen met het opnemen van een cessie- of verpandingsverbod geen goederenrechtelijk effect zullen hebben beoogd, in ieder geval niet als ze daarover niets hebben afgesproken. Met andere woorden: het cessieverbod maakt de vordering niet langer onoverdraagbaar, het goederenrechtelijk effect moet uitdrukkelijk worden uitgesloten. Als u vanaf nu toch overdraagt, handelt u in strijd met het verbod, u schiet contractueel tekort, maar anders dan voorheen is de vordering wel overgedragen.

Wat betekent deze uitspraak van de Hoge Raad nu voor de praktijk?

Als u als schuldenaar niet wilt dat uw schuldeiser zijn vordering op u vrijelijk overdraagt aan een derde, dan zult u dit vanaf nu met zoveel woorden moeten vastleggen (bijv. in uw inkoopvoorwaarden). U zult dus moeten bepalen dat een eventuele overdracht of verpanding geen goederenrechtelijk effect heeft. U kunt hiervoor bijvoorbeeld in uw algemene (inkoop)voorwaarden de volgende bewoordingen gebruiken: “Zonder voorafgaande (schriftelijke) toestemming van [schuldenaar] zal [schuldeiser] zijn vordering op [schuldenaar] niet met goederenrechtelijk effect kunnen overdragen of verpanden.”

Als u als MKB ondernemer (in uw hoedanigheid van schuldeiser) juist de vrijheid wilt hebben om uw vordering over te dragen of te verpanden, laat u dan nog eens goed kijken naar de bestaande formulering van uw voorwaarden. U doet er verstandig aan deze zodanig aan te passen, dat de reikwijdte van dat verbod slechts verbintenisrechtelijk is. U vermeldt dan: “Een cessie- of verpandingsverbod heeft slechts verbintenisrechtelijke gevolgen.

Heeft u vragen? Belt of mailt u gerust (0)183-513745  info@lexwoodlegal.nl

Het gebruik van algemene voorwaarden en de Battle of Forms: Welke algemene voorwaarden gelden wanneer beide partijen verwijzen naar eigen algemene voorwaarden?

 

contractenOp 18 maart 2014 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (vindplaats: ECLI:NL:GHSHE:2014:748) een uitspraak gedaan over het bekende fenomeen “battle of forms”. Dit betreft de vraag welke algemene voorwaarden van toepassing zijn wanneer beide partijen (aanbieder en acceptant) verwijzen naar de toepasselijkheid van hun eigen algemene voorwaarden. Volgens het geldend recht komt aan de tweede verwijzing naar (eigen) algemene voorwaarden geen werking toe wanneer daarbij niet tevens de toepasselijkheid van de in de eerste verwijzing aangegeven algemene voorwaarden uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen. De vraag die in de onderhavige zaak door het Hof is beantwoord gaat over de invulling van het begrip uitdrukkelijk.

De casus: Buva en VDL sloten met elkaar een koopovereenkomst. Buva kocht producten van VDL (kitkaders) en VDL moest deze producten aan Buva leveren. Er vond een offerte traject plaats welk traject uiteindelijk resulteerde in het plaatsen van een order door Buva bij VDL.

In de offerte van VDL stond vermeld:

“Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald zijn op al onze offertes en leveringen door onze sektie Metaal van toepassing (…) en door onze sektie Kunststoffen: de Algemene Voorwaarden van de Producenten Vereniging Thermoplasten (PVT) onderdeel van de Federatie NRK (…)”

In de bestelopdracht van Buva stond vermeld:

“(…) Door acceptatie van deze inkoopopdracht verklaart u alleen de BUVA algemene inkoopvoorwaarden, (…) van toepassing te zijn.”

Het geschil: Na levering ontstond tussen partijen een geschil over de kwaliteit geleverde kitkaders van VDL. Buva was van mening dat VDL in haar verplichtingen was tekortgeschoten, en startte een procedure waarbij zij ontbinding van de koopovereenkomst vorderde, terugbetaling van de koopsom van Euro 48.900, en toewijzing eiste van geleden schade groot € 207.570,85. Onderdeel van de rechtsstrijd tussen partijen was o.a. de vraag wiens algemene voorwaarden van toepassing waren. De voorwaarden van Buva of de voorwaarden van VDL? De vraag was van belang omdat de algemene voorwaarden van VDL beperkingen bevatten ter zake de omvang van aansprakelijkheid.

Geldend recht: In het Nederlands recht geldt de vuistregel dat wanneer beide partijen verwijzen naar verschillende algemene voorwaarden, de overeenkomst tot stand komt met toepassing van de algemene voorwaarden van de partij die het eerst naar haar voorwaarden heeft verwezen, tenzij de toepassing van deze (eerste verwijzing naar) algemene voorwaarden bij de aanvaarding van het aanbod uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen door de acceptant. Met andere woorden: degene die het eerst verwijst (bijv. in de offerte) wint, tenzij degene die aanvaardt (degene die de offerte accepteert) de eerste voorwaarden uitdrukkelijk van de hand wijst.

Wat is uitdrukkelijk?: Volgens vaste rechtspraak moet het uitdrukkelijk van de hand wijzen op een zodanige manier gebeuren dat het de aanbieder niet kan zijn ontgaan. Volgens Buva had zij uitdrukkelijk van de hand gewezen, nu zij niet alleen een zgn. afweerclausule in de algemene voorwaarden had staan, maar nu zij ook de bovenstaande tekst op de bestelopdracht had gedrukt met hetzelfde lettertype en –grootte, waarop bovendien VDL haar goedkeuringsstempel had geplaatst. Dit in tegenstelling, aldus Buva, van VDL die haar verwijzing had opgenomen in een standaardprint in klein, afwijkend lettertype onderaan haar briefpapier.

Het Hof is het niet met Buva eens. Het Het Hof oordeelt dat de verwijzing naar de eigen voorwaarden in de bestelopdracht van Buva een impliciete afwijzing inhoudt van andere algemene voorwaarden dan haar eigen voorwaarden, maar dat het geen uitdrukkelijke afwijzing als bedoeld en vereist in artikel 6:225 lid 3 BW. Wil sprake zijn van een dergelijke uitdrukkelijke afwijzing, dan zal volgens het Hof duidelijk moeten zijn dat andere voorwaarden worden afgewezen en welke voorwaarden worden afgewezen. Aan de precieze plaatsing van het stempel van VDL op de bestelopdracht kan naar het oordeel van het Hof geen zelfstandige betekenis worden toegekend. Met dat stempel is kennelijk een akkoord met de bestelopdracht gegeven.

Conclusie

Het afwijzen van algemene voorwaarden van uw contractuele wederpartij moet uitdrukkelijk plaatsvinden. Een afwijzende clausule in de eigen algemene voorwaarden is volgens vaste rechtspraak onvoldoende. Ook onvoldoende is een standaard tekst op een opdrachtbevestiging waarin u erop wijst dat slechts uw voorwaarden van toepassing zijn. De afwijzing is alleen succesvol indien deze expliciet is, en u de voorwaarden van uw contractuele wederpartij met naam en toenaam noemt en van de hand wijst.

Heeft u vragen over het gebruik van algemene voorwaarden?

Belt of mailt u gerust +31 (0) 183 513745 info@lexwoodlegal.nl

Waar moet uw webshop per 1 juni 2014 aan voldoen?

Op 11 maart 2014 is door de Eerste Kamer een wetsvoorstel aangenomen dat leidt tot aanpassing van het consumentenrecht. Deze aanpassingen hebben een aantal belangrijke gevolgen voor ondernemers die een webshop exploiteren. Per 1 juni 2014 moet uw webshop aan deze nieuwe regels zijn aangepast. Waaraan moet uw webshop voldoen?

Hier volgt een kort overzicht van de belangrijkste wijzigingen:

Het recht van ontbinding: het retourrecht van de consument verder uitgebreid van 7 naar 14 dagen

Een belangrijke wijziging is de verlenging van de ontbindingstermijn voor de consument. Dat is de termijn waarbinnen een consument zich mag bedenken nadat de koop is gesloten en binnen welke termijn hij alsnog van de koop mag afzien. Die bedenktijd is verlengd en gaat van 7 werkdagen naar 14 kalenderdagen. De termijn begint te lopen na ontvangst van de producten door de consument. Bij meerdere producten gaat de termijn pas in na levering van het laatste product.

Informeren van de consument over het recht van ontbinding: nog duidelijker informeren via het modelformulier en de modelinstructies

Per 1 juni 2014 moet de consument op uw website nog duidelijker geïnformeerd en geïnstrueerd worden over de wijze waarop hij gebruik kan maken van zijn ontbindingsrecht. U kunt hiervoor een aantal modelteksten gebruiken die door de wetgever zijn ontwikkeld. Zo is hiervoor een modelformulier ontwikkeld waarmee de consument kan aangeven dat hij gebruik wil maken van het recht van ontbinding. Gebruik van het modelformulier is overigens niet verplicht. De consument mag immers ook op andere wijze ontbinden. Hiernaast zijn modelinstructies voor herroeping ontwikkeld, waarin uitgebreid wordt beschreven hoe de consument na ontbinding heeft te handelen en wat hij van u als verkoper kan verwachten. Dit is belangrijk want als u de consument niet juist of volledig informeert over zijn rechten, dan wordt u als ondernemer gestraft: de consument heeft dan een jaar lang retourrecht.

Verkoopt u via marktplaats of vergelijkbare sites? Ook dan geldt het recht van ontbinding en heeft de consument het herroepingsrecht.

Gevolgen ontbinding: De retourtermijn en de verplichting tot terugstorten van de koopprijs en de verzend- en betaalkosten binnen 14 dagen i.p.v. 30 dagen

Nadat de consument de ontbinding heeft ingeroepen, krijgt hij nog eens 14 dagen de tijd om het product te retourneren. Dit betekent dat u 28 dagen na levering alsnog het product retour kunt ontvangen.

Binnen 14 dagen na ontbinding c.q. na ontvangst van het product moet u alle betaalde bedragen, inclusief de verzend- en betaalkosten, aan de consument terugbetalen. Deze termijn van terugbetaling was voorheen 30 dagen en is per 1 juni 2014 dus verkort naar 14 dagen.

De kosten van retourneren zijn voor rekening van de consument, maar alleen als u dit vooraf kenbaar heeft gemaakt (bijv. in de hiervoor genoemde modeldocumenten). Doet u dit niet, dan komen ook de kosten van het retourneren voor u. Het slechts vermelden hiervan in de algemene voorwaarden is na 1 juni 2014 dus niet meer toereikend; dit moet ook afzonderlijk op de website worden vermeld.

Wat u ook nog moet weten: tijdens de zichttermijn heeft de consument het recht om het product te gebruiken. Kapotte of te ver gebruikte producten die retour worden gezonden, mogen niet zonder meer door u geweigerd worden. U moet de retouren accepteren en moet uw schade dan bij de consument in rekening brengen door verrekening met het aankoopbedrag.

Uitzonderingen op het recht van ontbinding: wat mag niet geretourneerd worden?

Verkoopt u in uw webshop bederfelijke waren, intieme producten, tijdschriften of loterijkaartjes? Het retourrecht geldt dan niet voor u. Ook zaken die gepersonaliseerd zijn of specifiek voor een consument zijn gemaakt, kunnen niet retour worden gezonden. Ook hier weer oppassen geblazen: u moet duidelijk melden dat de consument geen recht tot ontbinding heeft en dat herroeping is uitgesloten voor deze categorie.

Duidelijkheid over de prijzen

De verkoper moet duidelijk de totale en bijkomende (verzend)kosten van een product of service weergeven, dus inclusief eventuele extra toeslagen. Als u niet duidelijk of volledig bent geweest, dan hoeft de consument ook niet voor deze extra kosten te betalen. Bovendien mogen er geen hogere betaalkosten in rekening worden gebracht dan de kosten daadwerkelijk waren. Hoge creditcard toeslagen zijn niet meer mogelijk.

De informatieplicht: niet alleen vooraf maar ook nadat de koop is gesloten

U moet de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie ter beschikking stellen voordat hij een product koopt. Deze informatie moet snel en gemakkelijk vindbaar zijn op uw website, zodat de consument alle tijd heeft om zich in te lezen, voordat hij iets gaat bestellen. Dit betreft niet alleen informatie over uw bedrijf, maar betreft ook informatie over de betaling, de verzending, het retourneren, het bestellen, de garantie etc. Deze informatie moet dan ook niet alleen op de website vermeld staan, en dus te lezen zijn voor de koop, dit moet u nadat de koop is gesloten, nogmaals aan de consument toezenden. Dit kunt u bijvoorbeeld doen in de bevestigingsmail aan de consument.

Een nieuwe bestelknop: bestellen=betalen

Per 1 juni 2014 is iedere webwinkel verplicht om een bestelknop te hanteren die duidelijk maakt dat bestellen niet vrijblijvend is en tot betalen verplicht. De tekst van de knop mag geen twijfel laten bestaan en dient de betaalverplichting te vermelden: “bestelling met betaalplicht”. Laat u dit na, dan kunt u de consument niet aan de overeenkomst houden.

Boetes bij overtreding: handhaving via de Autoriteit Consument en Markt

Naast de hierboven genoemde “straffen” die u riskeert als u niet voldoet aan de nieuwe wetgeving, zoals het opdraaien voor de retourkosten, het retourrecht dat een jaar geldt, het recht van de consument een onverkoopbaar product terug te sturen als hij niet op de verrekening van schade is gewezen, mag de wetgever zelf ook sancties opleggen. Houdt u zich niet aan de regels, dan riskeert u een boete die u kan worden opgelegd door de Autoriteit Consument en Markt. Deze boetes kunnen aanzienlijk zijn, nu het maximum bedrag is vastgesteld op Euro 900.000,-.

Vragen over uw webshop en de nieuwe wetgeving?

Bel of mailt u gerust met uw vraag: 06 46 04 14 14 –  info@lexwoodlegal.nl