Wanneer kan een ondernemer een succesvol beroep doen op de Mededingingswet?

Best_Solution

Op 13 mei 2015 heeft de rechtbank Leeuwarden in kort geding een erg leuk vonnis gewezen over de sport en het mededingingsrecht (http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNNE:2015:2475). Uit het vonnis (dat o.a. gaat over het kartelverbod) blijken de zeer strenge eisen en voorwaarden waaraan een succesvol beroep op de Mededingingswet moet voldoen. Wat zijn die eisen?

Wie kaatst mag de bal verwachten

De KNKB is de bond voor de kaatssport. Bij de bond zijn maar liefst 124 verenigingen aangesloten, waarvan het overgrote deel in Fryslân is gevestigd. Bij die verenigingen zijn circa 15.000 leden aangesloten.

In het kaatsreglement zijn – onder andere – specifieke voorschriften opgenomen met betrekking tot de kaatshandschoen. Voor de kaatshandschoen met versteviging geldt een aantal aanvullende eisen. Een van die eisen is dat alléén licentienemers wedstrijdhandschoenen mogen maken. Er zijn sinds jaar en dag drie licentienemers die jaarlijks ongeveer 180 wedstrijdhandschoenen maken. Nieuwe licenties worden niet afgegeven, daar is de markt te klein voor aldus de KNKB.

Eiser is (wedstrijd)kaatser op het hoogste niveau. Daarnaast is eiser kaatswantmaker. Eiser heeft zich tot de KNKB gewend omdat hij als licentiehouder voor wedstrijdhandschoenen aangemerkt wil worden. De KNKB weigert dat sinds 2012. Eiser is hierdoor gedwongen handschoenen te kopen bij zijn grootste rivaal in de kaatssport en dat zint hem niet.

Hoewel de KNKB per 1 januari 2016 het licentiebeleid “opengooit” – nieuwe toetreders kunnen dan op basis van objectief vastgestelde criteria worden toegelaten als licentiehouder – kan en wil eiser niet zolang wachten en start een kort geding op.

De kaatssport in Fryslân: Sprake van een kartel?
Eiser vordert dat de rechter in kort geding – kort gezegd – aan de KNKB oplegt, op straffe van een dwangsom, eiser te erkennen als licentiehouder, of toe te staan dat eiser een sub-licentie krijgt zodat ook hij kaatswanten mag produceren.

Eiser doet dit met een beroep op de Mededingingswet. Het licentiebeleid van de KNKB zou volgens eiser hiermee strijdig zijn, omdat het nieuwe toetreders tot de markt wordt verhinderd om licentiehouder te worden. Er is sprake van een ongeoorloofde marktverdeling tussen de KNKB en de huidige licentiehouders. Bovendien is sprake van misbruik van een economische machtspositie door de KNKB, aldus eiser.

Kostbaar marktonderzoek door derde onvoldoende
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt, dat sprake is van een inbreuk op het mededingingsrecht, gewezen op de uitkomsten van een in zijn opdracht uitgevoerd marktonderzoek. Hieruit volgt onder meer dat 84% van alle kaatsers die een kaatswant gebruiken, speelt met een kaatswant van een van de drie licentiehouders waardoor sprake is van een feitelijk monopolie, aldus eiser.

De Mededingingswet – het wettelijk kader
Eiser doet een beroep op de artikelen 6 en 24 van de Mw.

Artikel 6 lid 1 Mw bepaalt dat overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst verboden zijn (het verbod van mededingingsafspraken).

Artikel 24 lid 1 Mw bepaalt dat het ondernemingen verboden is misbruik te maken van een economische machtspositie.

Het kaatsreglement: strekking/gevolg om mededinging te beperken?
De rechter overweegt dat niet kan worden aangenomen dat het kaatsreglement de strekking heeft om de mededinging op de markt van de kaatshandschoenen te beperken. Evenmin kan volgens de rechter met zekerheid worden vastgesteld dat het gevoerde licentiebeleid tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt.

Zeer strenge maatstaf vaststelling verstoring mededinging
De rechter haalt de (zeer) strenge maatstaf aan: De vaststelling dat een overeenkomst mededinging verstorende gevolgen heeft, vergt volgens vaste jurisprudentie een feitelijk onderzoek – in de vorm van een marktanalyse – waaraan hoge eisen worden gesteld (HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR0285). Degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, dient dit te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt (HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0345).

Verstoring van de mededinging moet merkbaar zijn
De rechter voegt hieraan toe dat voor de toepasselijkheid van het verbod van mededingingsafspraken het moet gaan om overeenkomsten die ertoe (kunnen) leiden dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar wordt beïnvloed.

In het onderhavige geval heeft eiser weliswaar een rapport van een in zijn opdracht uitgevoerd marktonderzoek overgelegd, maar dit onderzoek is naar het oordeel van de rechter niet voldoende overtuigend om aan te nemen dat hier sprake is van een ongeoorloofde mededingingsbeperking als bedoeld in artikel 6 Mw.

Volgens de rechter omdat niet duidelijk is gedefinieerd wat de relevante markt is die is onderzocht: Is dit de markt van de kaatshandschoenen of de markt van de wedstrijdkaatshandschoenen? Dat maakt natuurlijk uit, omdat de eerste groter is dan de tweede en de omvang van het marktaandeel bepaalt. De rechter overweegt dat uit het rapport weliswaar het beeld naar voren komt dat de markt voor wedstrijdhandschoenen wordt gedomineerd door de rivaal van eiser, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat door het licentiebeleid zoals dat door de KNKB wordt gevoerd, de mededinging op de gehele markt van kaatshandschoenen merkbaar wordt beperkt. Dit klemt temeer nu eiser uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij ook zou willen opereren op de markt van niet-wedstrijdkaatsers en dat hij daarin wordt belemmerd doordat hij geen licentie heeft voor het maken van wedstrijdhandschoenen. Overigens heeft eiser dat laatste niet met voldoende concrete gegevens onderbouwd, aldus de rechter.

De rechter overweegt dan: “Inhoudelijk heeft het rapport meer de kenmerken van een – steekproefsgewijze – enquête dan van een volledig marktonderzoek. Daarbij is de vraag naar kaatshandschoenen aan de hand van interviews met 51 gebruikers in beeld gebracht, maar is de aanbodzijde onderbelicht gebleven. Al met al kunnen aan het uitgevoerde onderzoek vooralsnog geen harde conclusies worden getrokken ten aanzien van de gestelde strijd met de Mw.”

De rechter komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat – nu een deugdelijke analyse ontbreekt – niet zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van een merkbare marktverstoring op een relevante markt van (wedstrijd)kaatshandschoenen. De rechter sluit dit niet uit, maar is van oordeel dat in dit verband nader feitenonderzoek nodig is en zo nodig aanvullend bewijs van de zijde van eiser. Daarvoor leent deze kort geding procedure zich echter niet, aldus de rechter.

(On)sportieve belangen?
De rechter vervolgt dan nog door te stellen dat niet valt in te zien waarom eiser niet zou kunnen wachten tot 1 januari 2016, het moment waarop hij als nieuwe toetreder een licentieaanvraag kan indienen. De rechter neemt hierbij in aanmerking dat het gaat om een afzienbare periode en dat de KNKB belang heeft om op een zorgvuldige wijze toe te werken naar het nieuwe beleid, mede gelet op de posities van de bestaande licentiehouders. Vooral nu onbetwist is gebleven dat eiser een op zijn wensen aangepaste wedstrijdhandschoen kan bestellen, meent de rechter dat een ongewenst precedent geschapen kan worden en een mogelijke bevoordeling van eiser ten opzichte van andere wedstrijdkaatsers, die wellicht ook liever met een zelfgemaakte handschoen zouden willen spelen.

Conclusie: Heerlijke uitspraak. Waarom? Omdat het om principes gaat. In Fryslân. Over de kaatssport. En omdat elke dag dat onrecht voortduurt, een dag te lang is. Eiser probeert dat onrecht in kort geding met de Mededingingswet te lijf te gaan, maar faalt. Helaas, maar wel terecht. Voor een succesvol beroep op de mededingingswet is namelijk zeer uitgebreid en nauwkeurig veldwerk vereist. Er moet zeer feitelijk en uitgebreid marktonderzoek worden gedaan waaraan (zeer) hoge eisen worden gesteld. Het marktonderzoek van eiser, waar gesproken is met 51 sporters, en niet met aanbieders, doet de rechtbank af als “een steekproefsgewijze enquête”. Eiser heeft volgens de overwegingen van de rechter het juridisch economische debat te weinig uitgediept. Zo is volgens de rechter de afbakening van de relevante markt onvoldoende en niet precies uitgewerkt, zodat niet met zekerheid vastgesteld kan worden of de beperking van de mededinging wel merkbaar is. Want om welke markt gaat het? De lat om een inbreuk te bewijzen, ligt dus erg hoog. Dat is in een “normale” procedure dus al een uitdaging en vergt gedegen en kostbaar onderzoek. Hier komt dan nog bij dat (uiteraard vanwege de op handen zijnde wijzigingen van het licentiebeleid) door eiser gekozen is voor een kort geding. In kort geding moet de zaak echter (zonder nader feitelijk onderzoek) klip en klaar zijn – een kort geding rechter moet namelijk op basis van de feiten een voorschot kunnen nemen op de bodemprocedure. De lat ligt dan nóg hoger. De rechter stelt vast dat eiser tot 1 januari 2016 moet wachten, omdat de rest dat ook moet, en dan weer een balletje moet opwerpen bij de KNKB.

Vragen hierover? Belt of mailt u gerust naar 0183 513745 of Theodora@lexwoodlegal.nl

Huurbescherming voor de franchisenemer: geen ontruiming zonder tussenkomst van de rechter.

contracten

Op 16 december 2014 heeft het Hof in Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2014:4103) in kort geding een interessante uitspraak gedaan voor franchisegevers en franchisenemers. Het Hof heeft bepaald dat een franchisegever die de franchiseovereenkomst beëindigt, daarmee niet automatisch de huurrelatie met de franchisenemer beëindigt. De franchisenemer heeft huurbescherming en de beëindiging van de huurovereenkomst kan als gevolg daarvan alleen door tussenkomst van de rechter worden uitgesproken.

Het geschil tussen franchisegever en franchisenemer

De franchisenemer (exploitant wasstraat) had – zonder de vereiste toestemming van de franchisegever – de prijzen verlaagd om meer klandizie aan te trekken. De franchisegever was het hier niet mee eens. De franchisenemer weigerde de prijzen te verhogen, waarna de franchisegever de betalingsachterstand in de franchise fee van ruim Euro 100.000 opeist en dreigt de franchiseovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Als de franchisenemer niet voldoet aan de sommatie, besluit de franchisegever naar de wasstraat te gaan, plaatst er nieuwe sloten en koppelt met een modem alle programma’s via de eigen server. De exploitatie door de franchisenemer is daarmee niet meer mogelijk.

Kort geding door franchisenemer

De franchisenemer start hierop een kort geding en vordert de toegang tot het pand, afgifte van de sleutels en teruggave van de computerprogramma’s op straffe van een dwangsom. De franchisegever vordert in reconventie betaling van de franchise fee, dan wel het verstrekken van een bankgarantie.

Gemengde overeenkomst

De rechtbank constateert dat sprake is van een gemengde overeenkomst. Hoewel de franchiseovereenkomst dat niet expliciet bepaalt, heeft de franchiseovereenkomst volgens de rechtbank in feite ook een huurkarakter. In de franchise fee is namelijk ook een vergoeding opgenomen voor het gebruik van het gebouw door de franchisenemer. Daarmee is feitelijk tussen partijen een huurovereenkomst tot stand gekomen als gevolg waarvan volgens de rechtbank de dwingendrechtelijke bepalingen van het huurrecht op de franchiseovereenkomst van toepassing zijn.

Dwingendrechtelijke bepalingen huurrecht

Hoewel niet tussen partijen voorzien of beoogt ten tijde van het aangaan van de overeenkomst verhuurde volgens de rechtbank de franchisegever bedrijfsruimte aan de franchisenemer zoals bedoeld in artikel 7:290 BW (huur bedrijfsruimte). Op grond van artikel 7:231 BW kan deze huurovereenkomst dan niet buitengerechtelijk worden ontbonden. De huurder heeft huurbescherming en alleen de rechter kan de ontbinding uitspreken. De rechtbank stelt daarmee vast dat de buitengerechtelijke ontbinding door de franchisegever geen effect had, en dat de franchisegever op straffe van een dwangsom de franchisenemer weer moet toelaten tot de wasstraat. De ontbinding van de franchiseovereenkomst leidt hiermee niet automatisch tot ontruiming van het pand, ondanks de contractuele verplichting tot ontruiming zoals opgenomen in de franchiseovereenkomst.

De vordering van de franchisegever tot betaling van de achterstallige franchise fee c.q. het stellen van een bankgarantie werd afgewezen omdat er geen spoedeisend belang zou zijn, aldus de rechtbank. De franchisegever moest voor die vordering naar de bodemrechter. De franchisegever moet op straffe van een dwangsom dan de sleutels overhandigen aan de franchisenemer die de exploitatie weer ter hand neemt.

Spoedappel bij het Hof

De franchisegever is het hier niet mee eens en stelt hoger beroep in bij het Hof (spoedappel) waar hij nogmaals de ontruiming vordert en de betaling van de achterstallige franchise fees.

Hybride overeenkomst: franchise en huur

Net als de rechtbank oordeelt het Hof dat de rechtsverhouding tussen partijen naast aspecten van regelend recht (kort gezegd het ‘gewone’ contractenrecht waarin de ‘franchiseformule’ is geregeld) “ontegenzeggelijk aspecten van het dwingendrechtelijke huurrecht” bevat.

Het hof verwijst wat dit laatste betreft onder meer naar de passage in het contract tussen partijen waarin partijen zijn overeengekomen dat de (als franchiseovereenkomst geduide) overeenkomst betrekking heeft op “de IMO wasstraat, bestaande uit een gebouw, de wasinstallatie en inventaris”. Het gaat volgens het Hof hierbij onmiskenbaar om bedrijfsruimte, zo al niet in de zin van artikel 7:290 BW (bedrijfsruimte) dan toch tenminste in de zin van artikel 7:230a BW (overige gebouwde onroerende zaken).
Het Hof vervolgt dan door te oordelen dat “beide aspecten van de overeenkomst zo nauw met elkaar samenhangen dat het ene niet zonder het andere kan, waarbij het huurelement in de overeenkomst niet van ondergeschikte betekenis is. Dit betekent dat op grond van artikel 6:215 BW tevens de dwingendrechtelijke huurbepalingen op deze overeenkomst van toepassing zijn”.

Gevolgen huuraspect: dwingende regels huurrecht van toepassing

Volgens het Hof is de naam die partijen aan de overeenkomst (en de betalingen) hebben gegeven, niet bepalend voor de kwalificatie huur. De huuraspecten in de overeenkomst brengen huurbescherming met zich mee zodat ontbinding van de overeenkomst buiten de rechter om niet mogelijk is, aldus het Hof.

Toch ontruiming vanwege ernstige betalingsachterstanden

Anders dan de rechtbank, oordeelt het Hof echter dat de tekortkomingen van de franchisenemer dermate ernstig zijn (forse betalingsachterstand en geen inzicht verstrekken in de omzet), dat de ontbinding van de overeenkomst (ook indien mocht blijken dat er sprake is van een huurovereenkomst) in de bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid te verwachten is. Volgens het Het Hof kan men daarop bij wijze van voorlopige voorziening vooruitlopen en kan van de franchisegever niet gevergd worden dat hij de bodemprocedure afwacht. Het Hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de franchisenemer om binnen veertien dagen de wasstraat “met al het hare en de haren” te verlaten en te ontruimen op straffe van een dwangsom.

Conclusie: Op franchiseovereenkomsten die elementen van huur bevatten, kunnen de dwingendrechtelijke huurbepalingen van toepassing zijn, ook als dat niet is beoogd of voorzien. De franchisegever komt dan voor een onverwachte verrassing te staan. Immers, een franchiseovereenkomst die dan bepaalt dat het einde van de franchiseovereenkomst automatisch het einde van de huurovereenkomst inhoudt, als gevolg waarvan de franchisenemer verplicht is over te gaan tot onmiddellijke ontruiming, heeft dan geen effect. Volgens de dwingendrechtelijke bepalingen van het huurrecht kan alleen de rechtbank de beëindiging en ontruiming bevelen. 

Heeft u vragen? Belt of mailt u gerust naar 0183-513 745 / theodora@lexwoodlegal.nl

De saboterende werknemer: inpakken en wegwezen?

Building_Dialogue

In een op 19 november 2014 gepubliceerde uitspraak van een gevoerde procedure bij de kantonrechter te Zaandam gaat het om een werknemer die na een ontslag op staande voet, vanwege sabotage van een machine, loondoorbetaling en wedertewerkstelling vordert in kort geding (vindplaats: ECLI:NL:RBNHO:2014:10810). De zaak is aanleiding om stil te staan bij het belang van het juist formuleren van de ontslaggronden in de ontslagbrief. Hoe moet dat eigenlijk?

De casus: de haperende etiketteermachine

Werknemer is sinds 2007 in dienst bij Multitubes in de functie van inpakker. Begin 2014 ontstaat er een ernstig probleem met de etiketteermachine waaraan werknemer werkzaam is. Deze machine kan plots alleen nog maar op halve snelheid draaien.

Het lukt Multitubes niet om de problemen aan de machine te verhelpen en op 11 juni 2014 laat Multitubes vanuit Zwitserland een monteur van de fabrikant van de machine komen om het probleem te verhelpen. Diezelfde dag meldt werknemer zich bij zijn teamleider met de mededeling dat hij het probleem met de machine zelf had opgelost en dat de monteur uit Zwitserland niet meer hoefde te komen. Op de vraag van zijn teamleider hoe hij dat dan voor elkaar had gekregen, weigerde werknemer antwoord te geven.

Multitubes neemt hier geen genoegen mee en stuurt de werknemer op die dag naar huis. Multitubes gaat op onderzoek uit en twee dagen later bij brief van 13 juni 2014 ontslaat Multitubes de werknemer op staande voet. In de ontslagbrief is als dringende reden voor het ontslag op staande voet het volgende aan werknemer meegedeeld:

Uit onderzoek en gesprekken (…) is mij gebleken dat u de vertraagde werking van de machine waaraan u werkzaam bent bewust en gedurende langere tijd heeft laten voortduren. Zulks terwijl u wist dat wij er alles aan hebben gedaan om het vermeende gebrek te verhelpen. (…) Eerst nadat op woensdag 11 juni jl aan u werd aangekondigd dat die dag een monteur uit Zwitserland zou komen heeft u terstond het gebrek verholpen. (…) U gaf de genoemde collega’s niet alleen te kennen dat u het probleem had verholpen, maar u weigerde – daarnaar gevraagd – ook te vertellen wat de oorzaak was. U wilde dat enkel doen tegen betaling van 1000 euro.

Vordering loondoorbetaling en wedertewerkstelling in kort geding

Werknemer is het niet eens met het ontslag op staande voet en vecht dit aan. In kort geding vordert de werknemer dat Multitubes wordt veroordeeld tot zijn wedertewerkstelling op straffe van een dwangsom en tot doorbetaling van zijn salaris vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.

Vereisten voor ontslag op staande voet

Vanwege de verstrekkende gevolgen van een ontslag op staande voet worden in de wet en in de rechtspraak strenge eisen gesteld aan de gronden hiervoor én aan de manier waarop het ontslag wordt verleend. Niet alleen moet er sprake zijn van dringende redenen, het ontslag moet ook onverwijld worden verleend onder gelijktijdige mededeling van de redenen voor het ontslag. Voor de werknemer moet direct duidelijk zijn welke redenen de werkgever aan het ontslag op staande voet ten grondslag legt.

De rechter oordeelt dat volgens artikel 7:677 lid 1 BW ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij. De rechter wijst op artikel 7:678 lid 1 BW waarin is bepaald dat voor de werkgever als dringende redenen voor een ontslag op staande voet worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Kort gezegd moet er sprake zijn van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de werknemer.

Ontslag onverwijld gegeven?

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag in deze zaak onverwijld is gegeven en dat Multitubes hierin voortvarend heeft gehandeld. De gebeurtenis vond op 11 juni 2014 plaats. Op die dag is de werknemer naar huis gestuurd, waarna Multitubes op 11 en 12 juni 2014 nader onderzoek heeft gedaan. Nadat dit onderzoek was afgerond, heeft Multitubes de werknemer bij brief van 13 juni 2014 ontslagen. Dat is vlot genoeg aldus de rechter.

Bewijslast dringende reden rust op werkgever

Dan moet de rechtbank vaststellen of er sprake is van een dringende reden. Als regel geldt dat de bewijslast van het bestaan van de dringende reden op de werkgever rust. Die moet in dit kort geding aannemelijk maken dat de gestelde feiten zich hebben voorgedaan en dat deze zo ernstig zijn dat de rechter in de bodemzaak naar alle waarschijnlijkheid de werkgever gelijk zal geven. Een kort geding leent zich niet voor nader onderzoek, noch worden er getuigen gehoord: uit de stukken moet het bestaan van de dringende reden voldoende blijken.

Samengestelde dringende reden

De kantonrechter stelt vast dat Multitubes in haar opzeggingsbrief twee omstandigheden als dringende reden voor het ontslag op staande voet aan werknemer heeft meegedeeld, te weten (i) het bewust vertragen van de machine waaraan hij werkte, en (ii) de weigering om – zonder voorafgaande beloning – te vertellen hoe hij het probleem aan de machine had opgelost.
Wanneer er meerdere omstandigheden in een ontslagbrief zijn genoemd, is sprake van een samengestelde dringende reden. Dit heeft tot gevolg dat alle afzonderlijke verwijten in zijn geheel vast moeten komen te staan, wil geoordeeld kunnen worden dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven.

Meerdere feiten die afzonderlijk tot ontslag leiden?

Multitubes heeft ter zitting aangevoerd dat beide feiten ook ieder op zichzelf en los van elkaar een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Multitubes had dit echter niet in de ontslagbrief vermeld.

De rechtbank wijst Multitubes erop dat uit vaste rechtspraak volgt dat als van een aan de werknemer medegedeeld feitencomplex slechts een gedeelte in rechte komt vast te staan, het ontslag op staande voet alleen geldig is indien:
a. dat gedeelte op zichzelf beschouwd kan worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet,
b. de werkgever heeft gesteld dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan, en
c. dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest (Hoge Raad 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006: AW6109).

Wanneer een werkgever niet aangeeft dat ook de afzonderlijke omstandigheden aanleiding zijn voor ontslag, kan het ontslag alleen stand houden als het gehele feitencomplex bewezen wordt. En hier gaat het dan mis voor Multitubes.

Bewijs sabotage niet geleverd

Volgens de kantonrechter heeft Multitubes het bewijs van de sabotage niet geleverd, omdat Multitubes niet aannemelijk heeft gemaakt hoe de werknemer de machine op halve kracht liet draaien en hoe dit maandenlang onopgemerkt kon blijven. De rechtbank oordeelt: “Het voorgaande brengt mee dat Multitubes er in het kader van dit kort geding niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat werknemer de etiketteermachine bewust heeft vertraagd door sabotage. Dat betekent dat één van de feiten die ten grondslag is gelegd aan het ontslag op staande voet, niet is komen vast te staan.”

Het gevolg hiervan is, dat nu sprake was van een samengestelde dringende reden en de werkgever in de ontslagbrief niet had opgenomen dat beide omstandigheden ook afzonderlijk van elkaar een ontslag rechtvaardigden en aanleiding waren voor het ontslag, dit ontslag geen stand kan houden.

De kantonrechter hoeft, wanneer één van de aangevoerde feiten niet kan worden bewezen (sabotage), dan niet naar de andere verwijten te kijken. De weigering om te vertellen wat de oplossing is voor het probleem met de machine zonder beloning en of dit een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet kan in het midden blijven, nu de eerste grond niet is bewezen, aldus de rechter. En dat is natuurlijk een zware dobber voor de werkgever. Multitubes moet het salaris doorbetalen, en moet de werknemer terugnemen op de werkvloer op straffe van een dwangsom van Euro 25.000,-. Tegen de wedertewerkstelling was volgens de rechter geen verweer gevoerd.

Conclusie: De regels omtrent een ontslag op staande voet zijn streng en luisteren nauw. Het ontslag moet onverwijld worden gegeven en de redenen van het ontslag moeten op de juiste wijze worden medegedeeld. De motivering van het ontslag op staande voet is van groot belang, nu de inhoud van de ontslagbrief de ontslaggrond fixeert. Niet genoemde feiten en omstandigheden tellen niet mee, latere gebeurtenissen evenmin. Indien meerdere omstandigheden worden genoemd in de ontslagbrief en het geheel daarvan door de werkgever als reden voor het ontslag wordt opgevoerd, dan heeft dit tot gevolg dat de afzonderlijke omstandigheden en verwijten kennelijk niet als voldoende dringend werden beschouwd door de werkgever. Mocht één deel van het feitencomplex dan wegvallen omdat dit niet bewezen wordt geacht, dan vervalt de dringende reden volledig. Het ontslag is dan niet geldig, met alle gevolgen van dien. Als de werkgever in deze zaak in zijn ontslagbrief had aangegeven dat iedere omstandigheid afzonderlijk ook een voldoende dringende reden voor een ontslag op staande voet opleverde voor de werkgever, dan was het voldoende geweest wanneer een van de twee omstandigheden, mits dringend, voldoende aannemelijk waren gemaakt. Het advies luidt dan ook dat wanneer zich verschillende omstandigheden voordoen, die afzonderlijk een dringende reden voor ontslag op staande voet geven, de werkgever dit in de motivering van het ontslag op staande voet betrekt en aangeeft dat bepaalde verwijten en redenen ook op zich (afzonderlijk) een dringende reden voor het ontslag vormen, zodat de werknemer ook zou zijn ontslagen als bepaalde omstandigheden zich afzonderlijk hadden voorgedaan. Dat kan van groot belang zijn wanneer tijdens een latere procedure blijkt dat niet alle verwijten aannemelijk gemaakt kunnen worden. De omstandigheden die dan overblijven, kunnen dan misschien nog wel het ontslag dragen, als de werknemer heeft moeten begrijpen dat hij ook ontslagen zou zijn, als slechts die enkele reden zich had voorgedaan.

Heeft u vragen? Belt of mailt u gerust naar 0183-513 745  /  theodora@lexwoodlegal.nl

Beschrijvende merk- of handelsnamen: een klinkende naam geeft geen garantie op een happy end

Building_DialogueOp 3 juni 2014 heeft de rechtbank te Amsterdam in kort geding een uitspraak gedaan die de aanleiding vormt voor dit stuk. De uitspraak gaat over de beperkte bescherming van beschrijvende merknamen en handelsnamen (vindplaats ECLI:NL:RBAMS:2014:3177). Waar gaat de zaak over? Een (oud-)medewerkster van massagesalon Doctor Feelgood opent een eigen massagesalon met de naam Feelgood-store. Doctor Feelgood vordert hierop in kort geding een verbod op inbreuk op grond van haar merk- en handelsnaamrechten, subsidiair op grond van onrechtmatige daad. De vordering wordt afgewezen op alle onderdelen. Volgens de rechter is er geen inbreuk op het merkrecht, noch op de handelsnaam, noch is het handelen als onrechtmatig te kwalificeren. Reden om dit onderwerp nader toe te lichten.

Wat zijn de feiten? Doctor Feelgood/Feelgood-store

Doctor Feelgood is een massagebedrijf met twee vestigingen in Amsterdam. De handelsnaam Doctor Feelgood Massage Company B.V. wordt sinds 2007 gevoerd. In 2009 wordt het woordmerk Doctor Feelgood en het beeldmerk gedeponeerd.

In december 2013 is gedaagde op freelance basis massagediensten gaan verrichten voor Doctor Feelgood. In de overeenkomst van opdracht tussen partijen is een non-concurrentiebeding opgenomen voor de duur van een jaar nadat de overeenkomst ten einde is gekomen en voor het gebied binnen een straal van 15 kilometer van een van de vestigingen van Doctor Feelgood.

Een maand na het begin van de samenwerking registreert gedaagde de domeinnaam feelgood-store.nl, waaraan de website http://www.feelgood-store.nl is verbonden, op welke website massagediensten (massage therapie en sportmassage) worden aangeboden (gedaagde noemde zich voorheen Maxime Sports).

Kort daarna laat gedaagde weten dat zij zes weken niet kan masseren omdat zij last zou hebben van een ontstoken pees in haar duim. Doctor Feelgood vertrouwt het niet en besluit bij gedaagde een massage te boeken. Onder de naam Mimi Sherlock (!) wordt een werkneemster op pad gestuurd. Ter plaatse aangekomen dringt de werkneemster erop aan dat gedaagde de naam Feelgood-store wijzigt. Gedaagde laat weten hier geen trek in te hebben en Doctor Feelgood sommeert gedaagde – kort gezegd – (i) de inbreuk op de merkrechten en handelsnaamrechten dan wel het onrechtmatig handelen door het gebruik van de handelsnaam Feelgood-Store en de domeinnaam http://www.feelgood-store.nl voor massagediensten te staken en gestaakt te houden, (ii) de domeinnaam over te dragen en (iii) de tot dan toe gemaakte juridische kosten te vergoeden.

Dit wordt geweigerd, en Doctor Feelgood start een kort geding waarin het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom.

Beschrijvende merken/ beschrijvende handelsnamen, geen bescherming?

Aan de rechter wordt de vraag voorgelegd of gedaagde met de naam Feelgood-store inbreuk maakt op de merk- en handelsnaamrechten van Doctor Feelgood. Doctor Feelgood stelt dat Feelgood-store in hoge mate overeenstemt met het merk Doctor Feelgood, en dat de handelsnaam Feelgood-store een te grote gelijkenis vertoont met Doctor Feelgood, zodanig dat verwarring is te duchten.

Gedaagde verweert zich en stelt dat Doctor Feelgood geen bescherming kan claimen voor het woord of de woorden feel good, nu dit onderdeel beschrijvend is. Verder is er volgens haar geen sprake van verwarringsgevaar omdat beide ondernemingen in een andere plaats zijn gevestigd en zich richten op een ander publiek.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt:  “Voor de vraag of verwarringsgevaar te duchten is door het gebruik door [gedaagde] van de naam Feelgood-Store, dient volgens vaste rechtspraak te worden uitgegaan van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument. Daarbij is de totaalindruk van beide handelsnamen van belang. Doctor Feelgood zal dus niet worden gevolgd in haar stelling dat het woord store buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vergelijking. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de namen Doctor Feelgood en Feelgood Store teveel van elkaar verschillen om aan te nemen dat sprake is van verwarringsgevaar. Daarbij wordt meegewogen dat het onderdeel feelgood in de handelsnaam en het merk Doctor Feelgood een beschrijvende, algemene en veelgebruikte term is voor diensten en producten in de categorie persoonlijke verzorging, net als bijvoorbeeld de term wellness. Weliswaar beschrijft het niet precies de aangeboden dienst (massages) maar gelet op de algemeenheid van de term, in samenhang met het feit dat Doctor Feelgood (slechts) rechten heeft verkregen op de gehele naam Doctor Feelgood kan geen bescherming worden verkregen voor het enkele onderdeel Feelgood. “

Volgens de rechter is er dus geen inbreuk op de handelsnaam noch op het merkrecht.

Niet netjes handelen is nog geen onrechtmatige daad

De rechter laat weten wel begrip te hebben voor Doctor Feelgood. De rechter zegt: “Dat [eiseres sub 2] door de handelwijze van gedaagde onaangenaam is getroffen is dan ook invoelbaar. Voor het aannemen van onrechtmatig handelen is het echter onvoldoende. “ Gedaagde handelt bovendien niet in strijd met het non-concurrentiebeding, nu haar bedrijf meer dan 15 kilometer verwijderd is van de dichtstbijzijnde vestiging van Doctor Feelgood, aldus de rechter. De rechter meent dat de namen Doctor Feelgood en Feelgood- Store te zeer van elkaar verschillen om verwarringsgevaar aan te nemen en dat, nu gedaagde met haar eenmanszaak buiten Amsterdam gevestigd is, het niet aannemelijk is dat zij serieuze concurrentie voor Doctor Feelgood zal vormen. Met andere woorden: Het is niet netjes, maar je kunt er geen zaak op baseren.

Proceskostenveroordeling

Een (wellicht schrale) troost voor Doctor Feelgood is dat de rechtbank de proceskosten conform artikel 1019h Rv matigt van Euro 7.962,99 naar Euro 3.500,- te betalen door Doctor Feelgood.

Conclusie: Soms worden klinkende namen bedacht die commercieel gezien goud waard zijn, maar juridisch gezien moeilijk zijn te beschermen. Hoe origineel moet je handelsnaam of merk eigenlijk zijn? Beschrijvende handelsnamen zijn op zichzelf toegestaan, handelsnamen hoeven immers op grond van de wet niet origineel of onderscheidend te zijn. Bij merken is dat anders: om voor registratie en bescherming van een merk in aanmerking te komen, moet een merk voldoende ‘onderscheidend vermogen’ hebben. Anders dus dan bij handelsnamen, want een handelsnaam mag best uit beschrijvende termen bestaan. Een gevolg van een beschrijvende merk- of handelsnaam is echter wel dat de bescherming beperkt is. Voor beide geldt: hoe onderscheidender de naam/het merk, hoe ruimer de bescherming tegen vergelijkbare handelsnamen/tekens. Zo ook in deze zaak. Doctor Feelgood heeft juridisch te gelden als een zwak merk dat weliswaar bescherming kan bieden tegen identieke merken/tekens, maar zodra er sprake is van een afwijking (Feelgood-store), zijn de mogelijkheden tot optreden beperkt. Het inroepen van een zwak merk is voor een merkhouder bovendien ook niet zonder risico’s. De verweerder kan het ingeroepen merk nietig laten verklaren. Als dat lukt, dan valt het merk weg.

Uw vraag rechtstreeks aan mij stellen?